is toegevoegd aan uw favorieten.

De bijbel, door beknopte uitbreidingen, en ophelderende aenmerkingen, verklaerd.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EZECHIEL. XXXV. 3«s

vloeyen door 't gewelt des fweerts : ter tijt hares verderfs , ter tijt der uyterfte ongerechtigheyt. . *

De Edomiten hadden eene eeuwige vyandfehap, of eens vyandfehap van ouds. — Er was reeds een onverzoenbare haet , tusfehen hunnen Stamvader esau, en zijnen broeder jacob , uit welken de Israëliten zijn voortgekomen, Gen. XXVII. Deze oude wrok is, in de gemoederen van zijne nazaten, qvergeërvd. Zy waren daerom hartelyk verblijd , toen Jerufalem, door de Babyloniers , werd ingenomen, Pf. CXXXVII: 7. Ook onderfteunden zy de Chaldeeuwen, zelvs plaetften zy zich , op de wegfeheidingen, om de vluchtende Joden op te vangen, en , in de handen der Babyloniers , over te leveren, Obadja vs. 14.

Zy hadden de kinderen Israëls doen wechvloeijen, door het ge. weid des zwaerds, door, zo veel in hun was, alles toe te brengen, om het bloed der Joden, als water, te doen vergoten worden. :— Dit hadden zy , ter verzwaring van hunne misdaed, gedaen, ter tijde van hun verderv, ter tijde der uiterfte ongerechtigheid, dat is op de tijd, toen de Joden, om hunne gruwelen, op eene zeer geduchte wijs, geftraft werden, door de floping van hun Koningrijk, de verwoesting van hun land, en het verbranden van Stad en Tempel. Dit was een akelige tijd geweest, in welken het ongevoeligst hart, tot medelijden, zou bewogen wezen; en, op zuik een tijd, hadden de Edomiten zo wreedaertig gehandeld , met de deerniswaerdige Joden.

6. Daerom, om deze onmenfehelyke behandeling der Joden, £foo waerachtigh als"] ick leve, fpreeckt de Heere HEERE , de eenige en ware God, die altoos recht doet; ick fal u voorfeker ten bloede bereyden, ende het bloet fal u vervolgen, of R zal «, tot bloed, maken, en de zaken, in den weg van mijne Voorzienigheid, zodanig beftuuren, dat 'er ftromen bloeds, onder u, zullen vergoten worden, zodat gy allo, als enkel bloed, zult weswn: alfo gy het bloet niet en hebt gehaet, maer

XV. deel Z 5