is toegevoegd aan uw favorieten.

Vervolg op M. Noël Chomel. Algemeen huishoudelyk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek [...]. Zynde het VIII.(-XVI.) deel van het woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grooting befchouwd. „Dat ruige uitgroeizei der Bladen j (zegt hy), op zyn tyd door het Mikroskoop onderzoe- , kende, zal men grootegroenachtige Bloemen en Zaa- , "den ja aan het Zaad voor 't bloote oog naauwelyks zo , groot als een zwartzandkorrekjedatnavelachtigege- , " deelte, waar mede betaangehegt was en waar door het , " gevoed werdt, ten duidelykfte gewaar worden. Men , " zal, naamelyk, in die geelachtige Haain'ge uitpui- , " lingen twee ryen befpeuren van Tuiltjes, ieder , " omtrent vyftig Bloemen of Vrugten met haare Zaa- , " den bevattende. Annot. Recchi , m Hifi. Mexic. .

p. 87S-" ^e Engelschman W. Cole, vanBrifiol, , deedt nader waarneemingen daar omtrent, die door , hem in *c jaar 1669, briefswyze aan den beroemden Hooit medegedeeld werden, en vervolgens door deezen aan 't licht gegeeven ; waar van ons Ray kortelyk het volgende meldt. Hijier. Plant. Tom. I. pag. 132.

„ De Huisjes of Doosjes, die het Zaad bevatten, zyn, in de meefte Planten van dit Geflacht, klei" ner dan een aschgraauw Zandkorreltje, tot de helft, ", ja in fommigen tot een derde of vierdedeel enmin" der, gelykende veel naar zekere Blaasjes, met rin'| getjes of Wormachtige bandjes omwonden. Onder " deeze Blaasjes waren 'er, die, men rekende om" trent honderd, geheel, met het bloote oog onzicht" baare, Zaadjes te bevatten. DeBladen, inzonderderheid van het wyfje Varen , voorzichtig verga" derd en bewaard zynde, vervolgens in de zon of " open lucht geplaatst, wierdt men een fterke bewee" ging in derzelver wolligheid gewaar en deZaadhuis" jes borsten, werpende het Zaad uit, gelyk men " zulks in die van fommige Planten reeds lang heeft " waargenomen, waar by zich tevens een knappend " geluid, inzonderheid wanneer men dezelven opeen Z papier by een vergaderd hadt, openbaarde , en . door het Mikroskoop zag men de Zaadjes uit de" zelven hier en daar verfpreid. Die Zaadhuisjes " en Zaadjes worden in alle Haair-Planten, gelyk in " de Varens, Steenruy, Hartstong en anderen, hoe " zeer ook in grootte en gedaante verfchillende, by" na van dezelvde figuur en grootte bevonden. De " ongemeene kleinheid der Zaadjes was, in vergely1 king met het Gewas , verbaazende. Nogthands " vond men by dezelven, met het Mikroskoop Diert" jes loopen, die nog veel kleiner waren. De Zaadjes der Varens geleeken naar 't Zaad van Vitfen of Linzen, en fommigen waren als drooge Erwten ,, gerimpeld: maar die van 't Boomvaren verfchil, den in figuur en kleur. De overigen roodachtig of , bruin zynde, waren deeze geel en niervormig als „ 't Zaad van Rups-klaveren." Voorts laat by 'er dit op volgen.

,, De Zaaden der Haairplanten worden niet voor „ den Herfst ryp. Hier uit blykt, hoe beuzelagtig

en valsch 't gemeene praatje zy, van de vergadering ,, van't Zaad van Varen , dat fommigen op den langs-

ten dag , anderen op St. Jans nagt verzekeien te ,, kunnen gefchieden , met linnen daaronder gefpreid. ,, 't Is egter te verwonderen , dat de vlytige geenzins „• inbeeldige kruidkenner Tragus, niet gefchroomd „ heeft, opentlyk te betuigen, hoe hy noch doorby,, geloof gedreeven, of op tovermiddelen fteunende, „ viermaal ter toets gebragt hebbe, om, op St. Jans

HAAIR.PLANTENV éfij)

, nagt, met onder gefpreid linnen en bladen van , wollekruid, dit Zaad te vergaderen; bekennende» , dat het hem gebeurd zy, 's morgens, voor het aan, breeken van den dag, dus een klein zwart Zaad,* , naar dat der Heulbollen gelykende, meer onder de , eene dan onder de andere Plant, ook meer in 't , andere jaar , te vergaderen; Stirp. Hifi-Lib. p. 545» , Maar, hoe zeer ook Tragus zich tragt te zuiveren , van bygeloof, zal hy den blaam van ligtgeloovig-, heid ten minften niet ontgaan kunren , by degenen,. , die weeten, dat de Zaadjes van het Varen niet voor , de maand September voortkomen, en, al waren zy , 't geweest, niet dan met een vergrootglas zicht* , baar zyn."

Voornaame Kruidkundigen, van deeze eeuw, heb-jen dan ook de beftaanlykheid van het Zaad deezer Sewasfen voor zeker gehouden; zie Pliilofi. Transafo Vol.^LV. p. 264. Morison zegt, dat hy zelv'de Zaades van de rugzyde der Hertstongen, daar af gewree» ven, op een vogtigen befchaduwden grond verfpreid, en met den vinger in de Mofachtige Korst ingeftree-' ken hebbende, in't volgende jaar daar uit ontelbaare; Plantjes, van dien aart, heeft zien voortkomen. HifiX Plant. Tom. 3. p. 555- Onze. groote Boerhaave zegt,„ De Europifche Haair Planten ontbreekt een Steng. ', en eene tot nog toe zichtbaare Bloem; maar zy draagen Zaad, dat met het bloote oog, wegens de: , kleinheid, naauwlyks zichtbaar is, in Huisjes, tus»' ', fchen twee dunne Vliesjes geplaatst: welke Huisjes „ in kuiltjes, die op zekere ryen in de Bladen inge,, drukt zyn, gefchikt voorkomen; weshalven menze „ Epiphyllofpermee noemt. Ind. Hort. Lugd Bat. p. 25.'

Onder de voorzitting, zelvs, van den Ridder Linnieus, is in den jaare 1745, te Upfal, door den Heer Heiligtag eene Verhandeling verdedigd; waar in de Vrugtmaaking der Varens aldus befchreeven wordt, Amfc nit. Acad. Vol I. Holm. 1749- ?• 263. „ Aan den agter„ kant der Bladen van deeze Planten komen, in zeke-„ re kuiltjes, famengehoopte Bolletjes voor, meteen , VI tesje gedekt, 'twelk, op zyn tyd gaapende, uit-'„ tocht aan dezelven geeft. Deeze Bolletjes, op een' „ haairachtig Steeltje zittende, zyn doorgaans kloot» „ rond, en met een gedraaid vierkantig ringetje ge„ zoomd, 't welk los fpringende het Bolletje twee-' „ kleppig opent. Als dan werpen die Bolletjes een ,., ftof uit, welks deeltjes, onzichtbaar voor't bloote; ,, oog, door het Mikroskoop van een bepaalde figuur, ,, met eenige Haairtjes gewapend, verfchynen. Dat „ open fpringen doet de Bolletjes, cp een papier fa„ mengehoopt, als leevendige Diertjes zich vertoo,, nen; hier in naar de Vrugten of Zaadhuisjes van' „ de Sigisbeckia gelykende."

Die beweeging is voor veele jaaren reeds waargenomen door den vermaarden Borellus in Cent. Ohferv* Art. l.N. 54, en naderhand door anderen bevestigd; maar fommigen hebben ze, door verwarring van de» naam, aan dat ftof of aan de Zaadjes zelv toegefchreeven. De groote Haller is eenigfints duister in dat opzicht. Volgens hem zouden de deeltjes van daS ftof zelv', of de zogenaamde Zaadjes, die uit de gemelde opengebarften Zaadhuisjes fpringen,, nog met ontelbaare Korreltjes bezwangerd zyn; 't we'k mede uit de Waarneemingen van den Baron van Gletchf.nblykt, die 't zelve veertig duiaendmaal vergroot voor-