Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38 ROMEINEN. II.

Na deze tusfchenreden, keert de Apostel weder tot zijne hoofdzaek, zodat vs. 16, met vs. 12, onmiddelyk zamenhange, op deze wijs: „ De Heidenen, diegene Openbaring „ ontvangen hebben, zullen niet naer de openbaring geoor„ deekl, maer geftraft werden : omdat zy het licht der na„ tuur verönachtzaemt hebben; en de Joden, die met de „ Goddelyke Openbaring verwaerdigd zijnde, tegen meerder „ licht gezondigd hebben , zullen een veel zwarer vonnis

ondergaen."

16. (i) In den groten dagh van het algemeen gericht, wanneer Godt de verborgene dingen der menfchen,

zelvs hunne heimelykfte overleggingen en bedoelingen, fal oordeelen door Jefum Chriftum, die verhoogd is, tot eenen Richter van levenden en doden, na en volgens de leer van mijn Euangelium.

Mijn Euangelie is de Euangelie leer, welke ik predik, op Goddelyken last. — Naer mijn Euangelie zegt geenszins, volgens het recht van mijn Euangelie : (want zy , die met het licht van het Euangelie niet beftraeld zijn, zullen naer de wet der natuur geoordeeld worden, vergel. vs. 12.) Maer naer mijn Euangelie, geevt te kennen: volgens de leer van het Euangelie, en daer uit weten wy alleen, dat jesus christus verhoogd zy, tot eenen Richter van levenden en doden.

Uit al het beredeneerde nu, was het blijkbaer, dat 'er by God, gene aenneming des perfoons zy, en dat ook de Joden , uit aenmerking van hunne byzondere voorrechten, niets minder, dan een zachter oordeel te verwachten hadden.

(O »iatth. 451 31,

Ö, De

Sluiten