Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. CORINTHEN. IV. 49

12. So dan, de doot werckt wel in ons, voor zo ver wy geduurig, aen het gevaer des doods, zijn blootgefteld, maer het leven in ulieden, voor zo ver gy, uit onze verlosfing, een wezenlyk nut trekt, en daer door bemoedigd wordt.

13. Dewijle wy nu den felven Geeft des geloofs «n des vertrouwens hebben, gelijck 'er gefchreven is , Pf. CXVI: 10, alwaer iemand, die uiteen dreigend doodsgevaer , verlost was, deze verklaring doet; (n) lek hebbö gelooft, en, in den uiterften nood, op God vertrouwt; daerom hebb' ick gefprokeh en mijne hoop beleden, fo geloven en vertrouwen wy oock op den Goddelyken byftand , hoe donker het 'er ook moge uitzien, daerom fpreken wy oock, en doen vrymoedige belydenis van. onze hoop.

14 (0) Wetende dat hy die den Heere Jefum opgeweckt heeft, oock ons, uit alle noden, verlosfen, en, in den laetften dag der waereld, door Jefum fal opwecken , ende met ulieden daer voor Hem fal ftellen.

15. Want alle defe dingen, zo het Euangelie, het welk wy prediken, als de wederwaerdigheden, welke wy daerom ondergaen moeten, zijn om uvvent wille, en dienen, ter bevordering van uw wezenlyk heil, (p) op dat de vermenigvuldigde genade, door de danckfegginge van vele, overvloedigh werde ter heerlickheyt Godts , (of op dat) naermate de genadeweldaden , door merkwaerdige verlosfingen uit dreigende gevaren , aen my bewezen, des te groter zijn, gylieden ook des te meerder ftof mogt hebben, tot dankzeggingen, door welke Gode de heerlykheid wordt toegebracht.

16. Daerom en vertragen wy niet, wy verflappen niet, in onzen yver, maer, in weerwil Van- alle rampen en wederwaerdigheden , welke ons , om de"* prediking van het Euangelie, overkomen, gaen wy, in ons werk, rustig voort. Trouwens wy zien, op de heerlyke vergelding , waer van wy reeds de beginfélen ondervinden: want hoe»

l» PC 116: 10. 0} Rom, Sj u, 1 Cor. 6; 14 2 Co». 1.11. XXIII. PEEL. D

Sluiten