Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GALATEN. II. 169

Jerufalemmer Gemeente waren, duidelyk fagen dat my het Euangelium der Voorhuyt, als een zeer dierbare fchat, door God zeiven toebetrouwt was, om het voornamelyk, onder de Heidenen, te prediken, gelijck Petro het Euangelie der Befnijdenifle, om het zelve meer byzonder, onder de Joden, te verkondigen.

8. (Want die in Petro krachtelick wrocht tot het Apoftelfchap der Befnijdenifle, (ƒ) die wrocht oock krachtelick in my onder de Heydenen.) Het was God zelvs, die door de invloeden van den Heiligen Geest, en zijnen almachtigen byfland, my zo wel bekwaem piaekte, om het Euangelie, onder de Heidenen, als Petrus, om het zelve onder de Joden, te prediken, en die mijne leer, zo wel als die van Petrus, door teekenen en wonderwerken, bevestigde.

9. Ende als Jacobus de kleine, de Neev van onzen Verlosfer , ende Cephas , welken de Heiland den naem van Petrus gegeven heeft, ende Joannes, de byzondere lieveling van den Heiland, die geacht waren, niet fiechts iets groots, maer zelvs pilaren te zijn, welke dienden tot onderfteuning en cieraed van het geestelyk gebouw der Christelyke Kerk ; als deze grote en uitmuntende mannen, de uitnemende genade van het Apostelfchap, die my gegeven was, bekenden, en, met volle overreding, erkenden, gaven fy my ende Barnabe de rechterband] der gemeynfchap, op dat wy, met de verkondiging van het Euangelie, tot de Heydenen, ende fy tot de Befnijdenifle of Joden [/ouden gaen],

10. Alleenlick begeerden en verzochten zy, dat wy den armen Christenen in judea fouden gedencken , en, ten hunnen behoeven, aelmoesfen, onder de bekeerde Heidenen , inzamelen, (g) het welck felve ick oock beneerffcigt hebbe te doen, (vergel. Hand. XI. Rom. XV: 25 - 28. 1 Cor. XVI. 2 Cor. VIII en IX.)

CD Hand. 9: 15. ende 13: 2. ende 22: 21. Galat, is iG. Ephef. 3: 8. Hand. 11: 30. ende 241 17. Rom. 15: 25. 1 Cor. lós l.

as Cor. 8: 1. ende 9: 1.

XXIII. DEEL. L S

Sluiten