Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

E P H E S E N. V. 331

rijk. —- Daer in hebben de hoereerers en ontuchtigen geen deel, dat is, zy zijn gene Christenen, gene onderdanen van christus , gene deelgenoten van het heil, het welk Hy , voor de zijnen verworven heeft, en door het Euangelie laet aenbieden.

6. (ƒ) Dat u niemant en verleyde met ydele woorden bedrieglyke fchijnredenen, om u wijs te maken, dat de ontucht , tot de onverfchillige dingen , behoore : want om defe verfoeielyke dingen, welke walgelyk zijn in de oogen van Hem, die vlekkeloos heilig is, komt de toorne Godts, en de geduchte ftraf, welke het uitwerkfel is van zijn rechtmatig ongenoegen, over de kinderen des ongeloovs en der ongehoorfaemheyt, die , weigeren , om het Euangelie, hoe zeer zy het met den mond belijden, met het hart gelovig aen te' nemen, en met hunne daden, te gehoorzamen, (Vergel. Kap. II: 2.)

7. So wacht u zelvs, van de verkeering met ontuchtige lieden, en zijt dan hare medegenoten niet, om ook

niet in hunne ftrafTen, te deelen.

8. Dit vordert ook uwe gezegende ftaetsverandering, daer gy, door Gods genade, tot zulken uitnemenden gelukftaet , verheven zijt. (vergel. Kap. I: 3-14. H: 22.) (g) Want gy waert eertijts, blinde en afgodifche Heidenen zijnde , ten aenzien van uwe onwetenheid , in zaken van den Godsdienst, en van uwe verflaevdheid aen allerlei ondeugden, enkele duyfterniffe, maer nu, na uwe bekeering , van de ftomrae afgoden tot den levendigen God, zijt gy licht in of door den Heere, die uw verftand verlicht en uw hart geheiligt heeft : wandelt dan a!s kinderen des lichts, gelijk het menfchen betaemt, die, door den Geest des heeren , verlicht en geheiligt zijn; laet het, uit uw ganfche gedrag, openbaer worden , dat gy, van denken levenswijs, geheel en al verandert zijt.

9. ((/?) Want de vrucht des Geefts, he| uitwerkfel van de verlichting, welke de Heilige Geest, in u heeft

("ƒ■) Ter. 29: 8. Matth. 24: 4. Mare. 131 5. I.uc. 21: 8. Col. 2: 4, >ü, 2 ThclT. 2: 3. 1 Joh. 4« l« (ff) 1 Theff, 55 4. Ch) Galat. 5: as.

XXIII. DEEL.

Sluiten