Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. JOANNES. II. Sc5

fche verklaring der Joodfche Schrivtgeleerden, ook zelvs by dat volk, aen het welk Gods woorden waren toevertrouwd bykans geheel in vergetelheid gekomen waren ; deels voor zo verre, het door het uitmuntend voorbeeld van den Verlosfer, in zijne verkeering onder de menfchen, eenen nieuwen aendrang gekregen heeft; deels, om dat het altoos nieuw is, en de verplichting daer toe nimmer kan ophouden of verminderen. (Vergel. Joh. XIII: 34.)

De Apostel zelvs voegt 'er eene reden by, om welke dit voorfchrivt , in zeker opzicht, een nieuw gebod kan genaemd worden; het gene waerachtig is in Hem, zy ook in 11 (waerachtig) want de duisternis gaet voorby, en het waerichtig licht fchijnt nu. — De zaek zal veel duidelyker zijn, wanneer wy het dus vertalen: voor zo verre het, ten aenzien van Hem, en ten aenzien van u lieden, waer is dat de duisternis verdwenen is, en het waerachtig licht thans fchijnt. Het woordeken, het welk de Onfen door in vertaelt hebben in Hem en in u, beteekent hier, ten aenzien van, met betrekking tot Hem en u, even als Joh. IV: 37. Rom. XI: 2 Phil. I: 30.

De duisternis is hier zekerlyk een zinbeeld van onkunde ' en het licht van kennis. De fpreekwijzen zijn wederom ontleend , van de Gnostieken, die zich beroemden, dat zy het waerachtig licht van opgehelderde kennis bezaten, en dat alle andere Christenen, die niet tot hunnen aenhang behoorden, in de duisternis verkeerden. Daerentegen leert de Apostel, dat de duisternis der onkunde, voor de Christenen, door het Euangelie, verdwenen was, en dat het waerachtig licht, der ware kennis, welke in de daed zodanig was, thans onder hen allerduidelykst fcheen. — Nu is in zo ver het voorfchrivt der lievde een nieuw gebod ; het bevel , het welk God daer omtrent, zelvs door de Wet der natuur gegeven had, was, door de duisternis van onkunde, in welke alle volken gewandelt hadden , geheel in vergetelheid geraekt; maer by het opgaen van het waerachtig licht der kennis, geheel onderfcheiden van die valsch genaemde wetenfchap, op welke de Gnostieken zich beroemden: door de prediking van het Euangelie, was dit oude gebod vernieuwd,

XXV. DEEL. V

Sluiten