is toegevoegd aan uw favorieten.

De bijbel, door beknopte uitbreidingen, en ophelderende aenmerkingen, verklaerd.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

868 OPENBARING

te prijfen in de eeuwigheid. — Maer, mag men denken, hoe kwam dan de Keizer evenwel , ©p de gedachte, om chhistus, in den rang der gewaende Godheeden, te'plaet. fen ? Ds groote mosheim fchijnt my het ftuk volkoomen te hebben opgeheldert. „ De oude wetten der Keizeren, tegen „ het Christen volk, ftonden hem in den weg, om zijn ver„ langen, en vooral de begeerte van zijne Moeder, te vol„ doen, dat de Christenen, uit alle gevaer voor ftraffen en „ ongelyk, verlost wierden; en evenwel hy durvde, om het „ volk en de Priesteren niet te verbitteren, die wetten niet „ onbedachtzaem affchaffen. Om evenwel zijn oogmerk en „ dat van zijne Moeder te bereiken, nam hy de proev, of „ hy christus niet, onder de aengenoomene Goden , zou „ kunnen plaetfen; wanneer deefe onderneeming gelukt was, „ zouden die oude bevelfchrivten, tegen de Christenen, van „ zelvs vervallen, en, niet door hem, maer door den Raed, „ die de vergooding van christus had goedgekeurt, geheel „ vernietigd zijn " (c).

Wy beiluiten , uit al het beredeneerde , dat alexander severus den Christenen, met al zijn vermoogen, begunftigt hebbe, maer met dat alles een afgodendienaer gebleeven zy, die den Verlosfer, naer zijne Heidenfche denkwijs, wel als eene Godheid befebouwt, maer evenwel niet hooger gefebat hebbe, dan de gewaende Goden, welke, door het volk en de Priesteren, gediend werden.

Zijne Moeder, van welke wy, in het voorbygaen, gefprooken hebben, was julia mamm/ea. .— Zy had zo veel invloed, op den Keizer, haeren zoon, dat zy hem geheel beftuurde (d), en deefe invloed was ook de oorzaek van zijne gunftige gezindheid, jeegens de Christenen. Veele geleerden beweeren, dat zy het Christendom openiyk belee. den hebbe.

eusebius noemt haer ywcum 8mkJ&4«7^, en verhaelt, dat zy obigenes, te Antiochien, ontbooden hebbe, om haer in den Godsdienst te onderwyzen. . „ 's Keizers Moe <

„ der,

CO mosheim de reius Chrijlianorum ante constaxtinum m. x>. a66.

(d) lampridius i. c. c. 14. m' v' ^u