is toegevoegd aan uw favorieten.

De bijbel, door beknopte uitbreidingen, en ophelderende aenmerkingen, verklaerd.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4i+ NUMERI X.

De optocht gefchiedde in het tweede jaer , in de tweede maend , op den <xojlen dag der maend , te weten na den uittocht uit Egypten. Een gansch jaer was Ifraël gelegerd geweest aen Horeb. Op den eerften dag der eerfte maend van het tweede jaer was de Tabernakel opgericht Exod. 40; op den i4den was het Pafcha gevierd , Num. 9: t - 5. Op den eerften dag der tweede maend was het volk gemonfterd Kap. 1. voorts was de legerordening gefchikt , zoo ten aenzien van het volk in het gemeen, als van de Priesteren in het byzonder , Kap. 2 - 4. wijders waren de Leger wetten voorgefchreeven Kap. 5, 6. vervolgens hadden de Overften der Stammen hunne gaven gebracht tot inwijing van den Altaer, waermede men tot den 13den bezig was, Kap. 7. Op den i4den hadden zulke menfchen het Pafcha gevierd , die op den gewoonen tijd onrein geweest waren, Kap. 9: 10-12. En zes dagen daerna, op den aoften dag, was de tijd , dat Ifraël voor de eerftemael verreisde.

Nu werd de wolk opgeheven, en gansch Ifraël zag , dat de optocht beginnen moest. Echter kwam hun dit Godlyk bevel niet onverwacht over: want , behalven de toebereidfels , welke geduurende deze tweede maend reeds tot den optocht gemaekt waren, had de heer aen Mofe bekend gemaekt, dat zy niet langer toeven zouden by Sinai, maer optrekken naer het gebergte der Amoriten, het geen het zuider - gedeelte was van het beloofde land Canaan, zijnde een weg , welken men in elf dagreizen konde afleggen , Deut. 1: 2, 6, 7-

12. Ende de kinderen lfraëls togen op , nadat de wolk zich verheven had, en de Priesters met een bevend geklank op de Trompetten geblazen hadden , nae hare tochten , in die orde als de Heer bevolen had, uyt de woeftijne Sinai : ende de wolcke bleef, nadat men eenigen tijd gereisd had, in de woeftijne Paran ftil ftaen, tot een teeken, dat Ifraël zich aldaer legeren moest.

De woestijne Paran was eene groote wildernis, Deut. 1: l 9, welke zich uitftrekte van de woestijne Sinai af, en noordwaerds op tot aen het zuider gedeelte van Canaan, by het gebergte Sur, welks noordergedeelte, en dat het digtst

grens-