is toegevoegd aan uw favorieten.

De bijbel, door beknopte uitbreidingen, en ophelderende aenmerkingen, verklaerd.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N U M E R I X. 415

grensde aen het gebergte der Amoriten , of het zuiderdeel van Canaan, den naem droeg van Kades-barnea, Kap. 13: 3 en 26. vergel. Kap. 32: 8, zoo dat daerdoor de zuidelyke grensfcheiding van Canaan bepaeld werd , Kap. 34: 4 en Jof- «5: 3-

Op de vraeg, hoe lang heeft Ifraël op dezen tocht gereist ? antwoordt men doorgaends elf dagen: Tot deze gedachte heeft het verhael van Mofe aenleiding gegeven, Deut. 1: 2. Elf dagen reizen zijn het van Horeb , door den weg

des gebergte Seir, tot aen Kades - barnea. ■ Dan wanneer

men het Gefchied-verhael, in het volgende 11 en 12 de Kapittel nagaet , fcbijnt men een langer tijd te moeten Hellen : want eerst ging de wolk Ifraël drie dagen voor, om eene rustplaets te zoeken , Kap. 10: 33, wanneer zy legerden te Tabeëra, daer het volk murmureerde Kap. 11: 1-3. Daerop trokken zy naer Kibroth - taava , Kap. n: 4-34, welke plaets onderfcheiden was van Tabeëra. Het is waer Kap. 33: 16. noemt Mofe Tabeëra niet, maer hy zegt, zy verreisden uit de woestijne Sinai , en legerden zich in Kim broth-taava. Nogthans waren deze twee plaetfen zeer onderfcheiden, als blijkt uit Deut. 9: 22. ook vertoorndet gy den Heer zeer te Tabeëra, en te Masfa , en te Kibroth-taava. Masfa, gelijk Tabeëra, ftaet niet in de lijst Kap. 33:16, omdat het verblijf aldaer zeer kort was , en dat het zelve te Kibroth - taava van langer duur geweest is; welligt bevat die lijst maer zulke plaetfen, welke niet zoo zeer dienden om flegts te rusten , als wel daer Ifraël eenigen tijd vertoefde. Althans dat zulks plaets had in Kibroth-taava, fcbijnt te blijken uit Kap. ri: 19, 20, alwaer God bedreigt, dat zy eene geheele maend kwakkelen zouden eten , gelijk ook velen aldaer ftierven en begraven werden, die op vleesch waren belust geweest. — De derde Legerplaets was Hazeroth, Kap. 11: 35, alwaer Ifraël eenigen tijd gebleeven is. Hier gebeurde de tegenfpraek van Mirjam tegen Mofe, waerover zy met melaetfchheid gefiagen en zeven dagen buiten het leger gefloten werd, zoo dat het volk niet verreisde , dan nadat Mirjam gereinigd was, tot welke reiniging en aenneming nog wederom agt dagen vereischt werden, volgens Lev. 14. —• III. DEEL.