Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

So66 HOED der VRYHEID. HOEDE.

HOEF. HOEFBLAD.

Amandelboom by Nieuhoff getyteld, dien Rat uit den Malabaarfchen Kruidhof alwaar dezelve Adamarum heet, befchryft. Hy wordt 'er, wat de Kroon aangaat, by een Pyn- of Denneboom vergeleeken, hebbende de Stam zeer hard, wit Hout, met eene aschgraauwe Schors en rooden Bast. De Vrugt, opdroogende, barst en werpt den-Amandel uit, wiens Pit in de mond, onder 't kaauwen , geheel weg fmelt, doch van fmaak is als onze Amandelen; en, in water gelegd, breidt zy zich tot twee witte Blaadjes uit. Hy groeit van zelv' in de bosfchen op de Kust van Malabar, en wordt 'er in de hoven gehouden, alzo hy driemaal 'sjaars zodaanige Vrugten geeft, die men voor de lekkerheid eet, niet alleen, maar van de Bladen maaken de Inlanders een groot gebruik, zo tot fpyze als tot geneesmiddelen. HOED der VRYHEID, is dat gene het welk by

de Romeinen Pikus werd genaamd. Wy zullen

in navolging van eenen beroemden Engelfchen Scbryver eenige bedenkingen aan onze Leezers mededeelen, over den oirfprong en de beduidenisvolle hoedaanigheden van den Hoed der Vryheid.

De oude Romeinen waren doorgaans gewoon, met blooten hoofde, te gaan; by koud en regenachtig weer, bedekten zy 't zelve met eene der Slippen van hunne mantels of togaas. Gesar hunne eerfte Keizer, kaalhoofdig zynde, bedekte het met eenen laauwerkrans. Ouderdom en ziekte gerechtigden, in de vroegfte tyden, alleen iemant, tot het draagen van eene kap of muts. De ouderdom toen iets eerwaardigs zynde, zo werden de Kappen met ter tyd een teken van eer; en niemant wérd toen eenvaardig gerekend, dan die vry was, en, langs deezen weg, geraakte de Kap in de mode, als een teken van Vryheid, wanneer eene flaaf uit de dienstbaarheid ontflagen voor een vry man wierd verklaard, kreeg hy eene Kap welke hy in 't openbaar mogt draagen.

De Pikus, of de Hoed der Vryheid, is geheel eenvoudig van gedaante, gemeen van (toffe en wit van

kleur. De gedaante is als een zuikerbrood,

breed van onderen, en uitloopende als eene kegel: zulks duid aan dat de Vryheid rust op den breeden grondflag der menfchelykheid; en de pyramidaale gedaante, het zinnebeeld der eeuwigheid, wystaan, dat

dezelve altoos moet duuren. De Hoed der Vry

heid is eenvoudig: dewyl vryheid den Mensch ten natuurlykften en grootften fieraad (trekt. Dezelve heeft geene gouden of zilveren boorden, welke zo dikwerf het lievery zyn, van onderwerping aan willekeurig gezag. ———, Die Hoed is van gemeene (toffe, van wol gemaakt, om aan te duiden, dat Vryheid zowel het geboorterecht is, van den Schaapherder

als van den Raadsheer. Eindelyk de Hoed der

Vryheid is wit; de eigenaartige kleur van ongeverfde wolle: dit zinfchetst, dat de Vryheid geheel natuurlyk is, geene vlekken draagt van partyfchap, en onbezoedeld blyft van dwinglandy.

HOEDE, betékent bewaaring, befcherming; en is een woord, van het Vrouwélyke Gedacht. Onder haare hoede, Hooft in de Nederl. Hifi. hl. 7. Op haare hoede, Vondel in de Poëzy, I. D. hl. 536. ———• Dit is eene der woorden, die vrouwelyk wordendoor het aanneemen der E. Want hoed is by verkorting niet anders dan hoede, die ons hoedt of befchermt te¬

gen de lucht. En zo reeds achterhoede by Melis Stoke B. IX. r. 649. <ën taic boen fctiöc öe nthterfjochc. Zie ook hoede B. II. r. 1354. met cïecm-e ftoctn?. Zie ook

B. III. r. 336. IV. r. 118. V. r. 612. VIL r. 1125.

Doch indien hoede van hoed gekomen zy, kan hoed niet by verkorting van hoede zyn; dit drydt. Men zegge liefst, hoed komt van hoede, welk laatde van eene algemeene betekenis is, die eene byzondere gegeeven heeft aan het woord hoed, dat een hoofddekzel aanduidt. — Van dusdaanige veranderingen van gedacht in een en het zelvde woord moet nagezien wor. den, de Schryver der Spraakkundige Schetze, door de Heer D. van Hoogstraaten uitgegeeven in de Latynfche fpraake, bl. 18. bekend onder den naam van Anonymus Batavus, of Adriaan Verver.

HOEF. Te vergeefs wordt dit woord by ten Kate gezocht, deszelvs wortel dient gedeld te worden in hoef, hief, hof, hoof: en zie daar eene gepaste afleiding: in deezen wortel ligt de beteekenis van elevare, fustollere; hier van hnbd/ bochel/ hetüicï; om dat die als 't ware iet verhevens, iet hoogs is, by ten Kate II. D. bl. 213. Hoe gemaklyk nu mag langs dien zelvden weg hoef van deezen wortel worden afgeleid? hoef is dat uitwas, dat bidtige, die uitfteekende knobbel aan den voet van een Paard, die zich als iet heuvelachtigs uitfteekt en doet zien: en komt dus in die zelvde gedaante voor aan den voet eens Paards, als een heuvel op het vlakke veld. De gelykenis is wel ongemeen, doch ligt evenwel in de natuur der zaake : alleenlyk dat het denkbeeld van uitftekend, dat het eenvoudige fchynt, niet verwarre met dat van hoog': het gene wel als van zelvs aan het eerde verknocht, maar als een tweede nogthands daar van onderfcheiden is. Dit is dan het beduit, om dat van een heuvel kan gezegd worden , dat hy zich uitfteekt en zyn kruin verheft, en van eenen hoef/ insgelyks, dat hy zich door een bultigen knobbel verheft en uitfteekt; dat daarom ook, gelyk heuvel van den wortel hoef, hief, hof, hoof wordt afgeleid, poef/ waarfchynlyk van dien zelvden wortel afkomdig zy. N. Bydr. II. Deel, bl. 170.

HOEFBLAD, in het Latyn Tusftlago, is de naam van een Planten - Geflacht, onder de Klasfe der Syn-

genefta of Samenfteelige Kruiden gerangfehikt. De

Kenmerken beltaan in eenen naakten Stoel, een ongedamd Zaadpluis, het welke door gelyke Kelkfchubben, die van hoogte als de Schyf en eenigermaaten

vliezig zyn, onderfcheiden wordt. Het bevat

de volgende tien foorten waar onder het gemeene Hoefblad is begreepen.

1. Manneloos Hoefblad. Tusftlago Anandria. Hoefblad, met eenen éénbloemigen, fchubbigen , opgeregten Bloemdeel, de Bladen lierachtig eyrond. Tusfdago fcapoun>florofubfquamofo&c. Linn. Syst. Nat. XII. Gen, 952. Veg. XIII. p. 629. Tusftlago fcapo unifloro &c, Hort. Upf. 259. T. 3. ƒ. 1. Gmel. Sib. II. p. 141. T. 68- ƒ. 1. Anandria. Linn. Amoen. Acad. I. p. 243. 2". 11. (3. Idem Cal. fubaperto. Gmel. Ibid. T. 67. f. 2.

De Kelk komt geflooten voor, in dat Siberisch Kruidje, waar over een byzonder vertoog, onder den naam van Anandria, door den Heer Linreus is aan 't licht gegeeven. De reden daar van was, dat Sigesbeck, door vvien Linn/eus zo onbefcheiden over het famenftel der Sexen is aangetast, dit Kruid als

een

Sluiten