is toegevoegd aan uw favorieten.

Vervolg op M. Noël Chomel. Algemeen huishoudelyk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek [...]. Zynde het VIII.(-XVI.) deel van het woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOP.

célyk een (chip in de holle baren, aan zeer veele we- tr de/waardigheden onderhevig, geduurigb.ootftaar, om zi ^ door ftormen en tegenheden beloopen te worden; en de bi aanvallen en woede van verfchrikkelyke onweersbui- o

fen te moeten doorltaan. En, in de daad, hoe h

volftandig de Hoop den Mensch by blyft, hoe zeld- y zaamzy hem in den allergrootften nood zelvs begeeft, lt blykt overvloedig; dewyl men, van alles verlaaten, li bezwaarlyk tot zulk eenen deerniswaardigen ftaat ver- o ■vallen kan, dat 'er nog niet eene kleine flikkering van v, het verüwikkelyk licht der lieflyke Hoope in onzen h boezem blyft fchynen. . J'

De Heilige Schrift bediend zich van het zelvdezin- t nebeeld, en fpreekt van de Hoop, als van een anker n

derziele, 't welk zeker en vast is. ■ DeezeHoop, b

waar van de Heilige Schrift gewag maakt, rust ontwvffelbaar op den zekerden, op den onwankelbaar- d

ften grond. Zy fteunt niet op iedele of ver- k

eanelyke dingen; op verdichte fabelen, uit de ver- i dor ven begrippen der blinde Heidenen voortgekomen, f noch op inzettingen en leeringen van zondige ligt- \ dwaalende Menfchen: ze is gegrond op het eeuwig t blyvend woord van God, het gene doet voor uit zien l op goederen, welke gelegen zyn in de boven Hemel- t

fche gewesten, in de gewesten der eeuwigheid. <

Goederen, in de Hemelen bewaard; daar ze door mot- j te noch roest verteerd worden, noch de dief kan I do'orgraaven,- beftaande in dat gewichte dat eeuwig ge- i wichte van zaligheden, 't welk nooit Mewchen oog i gezien, nooit Menfchen oor gehoord heeft, noch ] ooit in het hart van ftervelingen is opgekomen. -■—— Goederen, waar van de gemartelde Stephanus en de : doorgeleerde, de verlichte Paulus, eenige weinige, eenige zeer flaauwe trekken met fterffelykeoogen hebben "mogen aanfchouwen. Op zulke goederen

doet ons de Heilige Schrift ftaröogen. Goederen, die niet veilen kunnen, nimmer veilen zullen, aangezien de Schenker, van wienzy afdaalen , de milde, de oneindige Geever alles goeds, God zelve js , Ook zyn ze, ten aanzien van hunne volkomenheid, om den Mensch ten toppunte van geluk

. van onveranderlyk geluk te voeren, ver boven

het bereik van onvolmaaktheid; ze zyn van dien aart, dat zy alle de begeerten, de wydstuitgeftrekte begeerten der ziele vervullen kunnen, en dezelve ten hoog-

ften trap van volmaaktheid opvoeren. > Tot zulk

een hoogst volmaakt Goed leidt de Hoep, van welke de Heilige Schriftuur melding maakt, den Mensch op, Daar alle de Hoop, welke van elders ge¬

leerd wordt, in waarheid geen vasten grond altoos heeft; om dat zy fiegts gebouwd is op wankelbaare begrippen van onverlichte ftervelingen, niet befcheenen door den helderen glans van het Euangelie; of dat ze rust op inftellingen van Menlchen, op leeringen van eigen vinding.

Men vertoont wyders de Hoop beeldfpraakig, onder anderen, ook als eene Godin, gebooren uit de duisternis en gezoogd door de lichtgeloovigheid. •

Achter haar laat men volgen eene ftoet van Nimphen, die haar geftadig vrolyk toejuichen, terwyl de kom-

merlyke, de angstvallige vrees voor uit gaat. •

Zy wend intusfcben haar gezicht ten Hemel, als van daar de eenige vervulling haarer begeerte verwagten-

de. Zy heeft een zeer helder gezicht, doch

XII. Deel.

HOOP.

3233

trekt het zelve een weinig donkerachtig, om dat zy zich zo menigmaalen bedroeven moet, als zy haare begeerte niet vervuld ziet. Men laat ze, leunende op eenen ftok, krom en vooroveigegaan; omdat da Hoop, zich veelmaalen , met eene blinde verbeelding ydel vleijende, heimelyk opklimt tot het laatite tydftip van 's Menfchen leeven, 't welk al hoopende, langzaamerhand, door den beevenden, den trillenden

ouderdom bekroopen wordt. Men doet haar

wankelen in haare treden, verbeeldende de onzekerheid, en bedrieglykheid der Hoope, in veele gevallen ; dewyl de hoopende Menfchen dikwils verhezen, 't geen zy meenen reeds in handen te hebben, 't gene zy zich verbeelden aireede in vollen eigendom te bezitten.

Hoe aartig deeze tekening, hoe vernuftig de uitdenking in dezelve ook wezen moge, ze mist dien zekeren, dien onbeweeglyken grond, waar op de Hoop,

in de Heilige Schrift afgebeeld, rust. Want,

fchoon men deeze beeldtenis de oogen ten Hemel doe verheffen, om van daar de vervulling haarer begeerte te verwagten; zyn haare grondvesten, op welke ze bouwt, veel te zwak, om 'er een volledig gebouw op te (tutten, om 'er volkomen op te kunnen vertrouwen. Hier van daan voegt men by dat zelvde

Beeld de kcmmerlyke vrees, en doet het uit de duisternis gebooren worden. Voorwaar zinnebeelden, welke volmaakt aanwyzen, hoe zwak een vertrouwen deeze Hoope hebbe: 't Geen te meer

plaats heeft, om dat zy geen ander uitzicht heeft, dan op aardfche, tydelyke en verganglyke goederen; op zyn best, binnen den engen kring van dit kortftondig leeven, en veeltyds binnen nog veel enger perk bepaald.

Ik kan niet nalaaten, hier nevens nog een andere beeldtenis van de Hoop te voegen; welke niet minder leevendig, niet minder geestig dan de voorgaande uitgedacht; doch te gelyk niet beter gefchiktis, om een volledig vertrouwen, zonder welke toch de Hoop niets is, te kunnen vestigen.

In deeze tweede beeldtenis wordt eene Vrouw afgetekend , keerende het gezicht opwaards naar den Hemel; gekleed in een groen gewaad; in de hand houdende eenige gebrooken pylen; terwyl ze geplaatst is

op den mond of opening van eene kist. By haar

: voegt men eene Kraay, de goede uitkomst, en Ne-

; mesis, de Godin der wraak. Voor haar heenen

1 gaan de verbeeldingen. Deeze fchildery is niec

. min leevendig dan de eerfte , o.n dat de Hoop zich hier ; in alle derzelver trékken duidelyk vertoont, zo als zy : plaats heeft by hen, die door geen klaarder licht dan . dat der rede alleen beftraald zyn. Laat ons ieder derf zeiver byzonderheden eens wat nader befchouwen,

- en ons eenige oogenblikken by dezelven ophouden. Het is een fchoon denkbeeld, de Hoop het gezicht

r hemelwaards te doen verheffen. Alle_Hoop,

- welke niet derwaards uitziet, is loutere ydelheid.

- De Hoop eenes Christens kan zich met grond tot den , onveranderlyken God verheffen; zy kan ftaröogen op 1- den Hemel, de plaats der waare beftendigheid, de ee-

- nige plaats van waar vergenoegen, van onveranderlyk

n geluk. : Dan deezexkennis verlichtte fiegts in zo

1. ver het verftand der Ouden, der Heidenfche Wy:.h eeeren, dat zy uit de rede begreepen, hoe de oirzaak

b Cc van