Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3548 INSCRIPTIE??.

genegen is; dan dewyl in een kort betrek wefnige dichterlyke vryheden genomen kunnen worden, ishec juist niet altyd mooglyk, tot de dichtkunde zyne toevlugt daar by te neemen. Hierom bedient men zich gemeenlyk, in plaats van verfen, van zinfpreuken of korte perioden, die het gehoor ftreelen, 't welk een byzondere ftyl formeert, welke men gewoon is defiylus lapidarius, of Jleen-Jïyl te noemen, om dat men ze rneerendeels op fteen, gelyk op graftomben of zarken, of onder ftandbeelden enz. uitgehouwen ziet. Deeze maakt een midden-foort uit tusfchen poëfie en profa, en moet dus niet al te fchitterende behandeld worden.

Naast de oude Grieken en Romeinen, is misfchien nog nooit eenige natie beter geflaagd in het famenftellen van Infcriptien, dan onze Nederlandfche, vooral in de laatstverloopen eeuw. Wy behoeven daar voor geene verdere bewyzen, dan die men op de graftomben onzer gefneuvelde Zeehelden en zeer veele andere gedenktekenen, als ook voor fommige openbaare gebouwen enz., uitgehouwen ziet. De Engelfchen en Duitfchers vervallen hier by meest altyd in winderige, waar door terftond alle fraaiheid eener Infcriptie verlooren gaat. Als het model eener goede Infcriptie, wordt dikwils de volgende opgegeeven, welke men te Morat inSwitzcrland leest voor eene Kapel, waar in men de Bourgondiërs begraaven heeft, die te gelyk met hunnen aanvoerder Karel denStouten, gefneuveld zyn in de beroemde veldüag naby die ftad gehouden :

Deo opt.' Max. Caroli incliti fortisimi Du cis burgundle exercitus

muratum obsidens ab helvetiis cesus hoc sui monumentum reli quit.

De edele eenvoudigheid van de Infcriptie voor het hotel der Invaliden teBerlyn, verdient hier mede aangehaald te worden, het zelve luid in vier woorden aldus:

Lmso et invicto militi.

daar tegen leest men wederom, voor een dor groötfte en fraaifte gebouwen van die hoofdftad, een hoogduitfche Infcriptie, welke de ongeletterdfte handwerksman zich fchaamen zoude opgefteld te hebben.

Het gebruik der Infcriptien is ongetwyffeld van de grysfte oudheid, aangezien de oudfte volkeren* waar van eenige gefchiedkundige berichten tot onzen tyd zyn overgekomen , reeds gewoon waren van gebeurtenisfen, die zy als merkwaardig befchouwden, de herinnering, doormiddel van gedenktekenen, aan het nakomeüngfchap over te leveren. In de'vroegfte onoefchaafde eeuwen vergenoegde men zich, met tot dat einde flegts een hoop fteenen op elkander te ftapelen. Wy vinden een bewys hier van Gfnesis I. vs. 45,en volgende; want toen Jacob en Laban wederzydsch verzoend waren, nam de eerfte een fteen, die hy verhoogde tot een opgerecht teken, waarfchynlyk opde manier van eenen kolom, waar na alle de aanwezenden nog meer fteenen aandroegen , van welke zy een hoop maakten,, en waar op zy te zamen aaten. Beide g-atven vervolgens aan deezen hoop fteenen» ie>

INSCRIPTIEN.

der in zyn eigen' taal, de naam van fleenhoop der getuigenis, om dat dezelve'tot een altoosduurend getuige en gedenkteken moest blyven, van het plechtige verbond van vriendfchap, 't welk zy aldaar met elkander aangegaan hadden. Men vindt meer foortgelyke voorbeelden in het Oude Testament.

Desgelyks verhaalt Xenophon, in de gefchiedenis van de beroemde aftocht der tien duizenden, datdefoldaaten, na veele uitgeftaane vermoeijenisfen en gevaa. ren, de Pontus-Euxinus gezien hebbende, aldaar een groote hoop fteenen oprichteden, ten einde hunne vreugde aan den dag te leggen, en een gedenkteken te zyn, dat zy daar te plaatze geweest waren.

Men zag nogthands aan deeze fteenen niets, 'twelfc aantoonde dat zy eenigerhande betekenis hadden; zy getuigden wel dat die plaats om zekere redenen merkwaardig was, doch gaven niet te kennen welk byzon» der geval dezelve eigentlyk bedoelden.

In vervolg van tyden trachte men dit gebrek daar door te vergoeden, dat men die fteenen zelve, alshet ware op eene zinnebeeldige wyze liet fpreeken, door in den beginne de gedaante van zekere figuuren daar aan te geeven, welke Goden, menfchen, veldflagen enz. verbeeldeden; of zodaanige figuuren wier» den daar op gefchilderd, of wel in bas-relief uitgehouwen; vervolgens graveerde men daar op zekere karakters of letters, behelzende de Infcriptien van naamen en zaaken.

Deeze gewoonte om karakters en woorden op de fteenen te graveeren, is ongetwyffeld van de hoogfte oudheid by de Pheniciers en Egyptenaaren, van welke naderhand de Grieken dat gebruik ontleend hebben, ten einde de aanmerkelykfte gebeurtenisfen hunner natie in 't geheugen te bewaaaren. Aldus zag men in de citadel teAthenen, volgens het verhaal van Thucydides, kolommen, op welke de ongerechtigheid der tyrannen, welke het fouverein oppergezach over» weldigd hadden, gegraveerd was. Herodotus verhaalt desgelyks, in zyn zesde boek, dat, op bevel der Amphiftions, een hoop fteenen meteen graffchrift opgericht wierd, ter eeren van de Spartaanfche helden, welke by Termopyle, voor hun vaderland gefheuV veld waren.

Men had ook dïertyds reeds hier en daar de gewoonte, om de Godsdienftige wetten en burgerlyke ordonnantiën, op kolommen en fteenen tafelen te graveeren. By de Jooden wierden de tien geboden en het boek Deuteronomium op fteenen tafelen gefchreeven , welke met kalk beftreeken waren. Theopompus beweert, dat de Corybantes de kunst uitgevonden hadden om kolommen te vervaardigen, waar op de wetten gefchreeven konden worden: wy zullen hier onderzoeken, of hy daar in recht of onrecht heeft; dan dit is ten minften zeker, dat deeze gewoonte allengs ingevoerd wierd by alle volkeren van Griekenland, uitgezondert de Lacedemoniers, by welken Lycurgus; niet wilde toelaaten dat de wetten befchreeven wierden, op dat men dezelve mogt van buiten leeren, en dus te dieper in 't geheugen prenten.

Eindelyk begon men ook op marmer, metaal, ko» per en hout, de hiftorie van het land, de eeredienst der Goden , de eerfte beginzelen der weetenfchappen» de oorlogen, de vreder.s-traktaaten , de alüantien, de tydperken, de veroveringen, met één woord allerlei

merk-

Sluiten