is toegevoegd aan uw favorieten.

De bijbel, door beknopte uitbreidingen, en ophelderende aenmerkingen, verklaerd.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEUTERONOMIUM VII. 75

15. Ende de HEERE fal alle buitengewoone en tot volks - ftraffen dienende kranckhey t van u afweeren: ende hy en fal u geene van der Egyptenaren quade fieckten , die gy kent, opleggen, het zy dan van die zweeren of blaerkens, waer mede de Egyptenaren van Gods onmiddelyke hand bezocht geweest waren, Exod. 9: 9. en 15: 26"., het zy dan van eenige andere zeer lastige kwalen , byzonder van vuile zweeren, Egyptiaca en Syriaca genoemd, waer aen de Egyptenaren, zoo men meenc, byzonder onderhevig waren: van deze verderflyke plagen en kwalen zal de Heere u behoeden , maer falfe leggen op alle die U haten. Vergelijk over dit alles, van vs. 13-15. 't geen we in 'tbreede hebben aengeteekend op Lev. 26; 1-13.

16. Gy fult dan alle die volcken, de inwooners van Canaan, verteeren , die de HEERE uwe Godt u geven fal; gy zult hen verbannen, en alzoo hunne afgoderye met den wortel uitroejen; uw OOge en falfe niet ver-

fchoonen: ende gy fult hare goden niet dienen; want dat foude u een ftrick, eene gelegenheid tot zonde, zijn.

De verfoeilyke afgoderye en godloosheid der Inwooners van Canaan, was de reden van deze groote geftrengheid, waer mede God derzelver geheele verdelging vorderde: En deze ftrengheid tegen die afgodifche volken, moest ook dienen , om Israël zoo veel te meer van 'derzelver navolging afte» fchrikken, en hen te wapenen tegen de verlokking tot afgoderye.

17. So gy in uw herte feydet; (dus vervolgt Mofe); Defe volcken zijn meerder clan ick: hoe foud' ickfe uyt de befittinge konnen verdrijven ?

18. En vreeft niet voor hen: gedenckt ffceets, -wat de HEERE, uwe Godt, aen Pharao ende aen alle Egyptenaren gedaen heeft.

ip. (m) De groote verfoeckingen, die uwe oogen gefien hebben, ende de teeckenen, ende de wonderen, ende de ftercke hant, ende den uytgeftreckten arm , door welcken u de HEERE uwe Godt heeft uytgevoert: welk alles ik u reeds herinnerd

Qn) bov. 4: 54^ ond. 29: 3, IV. DEEL. E 5