Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

488 II. SAMUEL S. XIX.

ftraffen van die tergende beleedigingen voor te komen , welke hy zijnen wettigen Koning, door grievende lasteringen, had aengedaen , in hoop van , by den zachtmoedigen Koning, vergeving te vinden. — Hy nam duizend mannen van zijne Stam met zich; misfchien was hy een Overfte over duizend; en, door deze te bewegen om den Koning hulde te doen, hoopte hy des te gereeder gunst te zullen vinden.

Wat Ziba aengaet. Dees ging den Koning te gemoet, om de zaek van Mephibofeth aen zijne gunst aen te bevelen. Misfchien had hy berouw, dat hy Mephibofeth zoo fchielyk, als eenen mede - wederfpanneling, by den Koning had aengebracht; daer hy, de zaek van achteren inziende, ligtelyk begreep , dat David van Mephibofeth niet veel te vreezen hadde. Misfchien berouwde het ook Mephibofeth, dat hy zich, zoo onbedachtzaem, in de muitery, had ingelaten; terwijl Ziba altoos eene inwendige genegenheid had gehad, voor dien ongelukkigen zoon van Jonathan, die by het volk en by David zoo zeer bemind was.

18. Althans Ziba voer met Simei over, en Als nu de ponte overvoer om het huys des Konings over te halen, ende de Stam van Juda zich genegen betoonde, om alles te doen dat goet en aengenaem was by den Koning en in fijne oogen ; fo viel Simeï , de fone van Gera, neder voor het aengefiehte des Konings, als hy over de Jordane voer: Zoodra als Simei aen de Oostzijde van de rivier gekomen was, daer David zich gereed maekte tot den overtogt; zoo deed hy eenen voetval voor den Koning, om, met bekentenis van zijne misdaed, gunstige vergeving te vragen.

19. Ende hy fey4e, op de nedrigfte wijs, tot den Koningh; Mijn heere en rekene my niet toe de mifdaet, ende gedencke niet, wat uwe knecht verkeerdelick gedaen heeft , te dien dage, als mijn heere de Koningh uyt Jerufalem uytgingh; dat 'et de Koningh fich ter herten foude nemen.

20. Want uwe knecht weet [het] fekerlick, ick hebbe gefondigt: doch fiet, ick ben heden gekomen, de eerffce van den gantfehen huyfe Jö-

fephs,

Sluiten