Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38a IL KONINGEN. X.

26. Ende fy brachten de opgerichte beelden uyt het huys Baals, ende verbranddenfe:

27. Sy braken oock het opgerichte beek Baals af, het welk het voornaemfte voorwerp der afgodery was: daer toe brakenfe het ganfche huys Baals af; met alle de vertrekken, welke daertoe behoorden, ende maeckte n dat, uit verachting, tot heymelicke gemacken, welke 'er nog zijn tot op defen dagh, dat deze dingen geboekt worden.

28. Alfo verdelgde Jehu den Baal uyt Ifraël , welken Achab, door verleiding van Ifabel, had ingevoerd.

29. Maer hoe zeer Jehu, voor den heer yverde, om den dienst van Baal uitteroejen, zijn hart was evenwel niet oprecht met zijnen God. Hy kleevde den verfoeilyken kalverdienst aen , welken Jerobeam had ingevoerd; van de fonden Jerobeams des foons Nebats , die Ifraël fondigen dede, na te volgen, en weeck Jehu niet af: (d) [te weten] van de goude kalveren, die te Beth - El, ende die te Dan waren.

30. Nogtans wilde de heer zijnen yver , in het uitroejen van Achabs huis, gunstig vergelden. De HEERE dan feyde tot Jehu, door den dienst van Eliza, of eenen anderen Propheet: Daerom dat gy welgedaen hebt, doende dat recht is in mijnen oogen, [ende] hebt den huyfe Achabs gedaen, nae alles dat in mijn herte was, omdat gy my in zoo ver geboorzaemd hebt, als gy Achabs huis hebt uitgeroeid; daerom (e) fullen U fonen tot het vierde gelidt op den throon Ifraëls fitten.

31. Maer deze belovte had geenen invloed op 's Konings hart, om hem van den kalverdienst terug te brengen. Jehu en nam niet waer te wandelen in de wet des HEEREN, des Godts Ifraëls, met fijn gantfch herte: hy en weeck niet van de fonden Jerobeams, die Ifraël fondigen dede.

3 2. Trouwens de heer gav hem daerna ook kennelyke blijken van zijn rechtmatig ongenoegen, in het aenmerkelyk verzwakken

(f), 1 Kon. 1*: 28. CO a K<">- '5: ia-

Sluiten