is toegevoegd aan uw favorieten.

De bijbel, door beknopte uitbreidingen, en ophelderende aenmerkingen verklaerd.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38o EXODUS XXXII.

niet meer dan drie duizend meiden. Dit was voorzeker in zig zelve een groote en droevige nederlaeg , met welke hun dertele feestdag jammerlyk eindigde ; maer , ten aenzien van de misdaed, was deze flag niet' groot , onder eene menigte van zesmael-honderd - duizend telbare mannen, die zich allen, 't zy dan meer 't zy min, zoo verre fchuldig gemaekt hadden, dat God hen geheel bedreigde te vernietigen; des kan men hier uit opmaken, dat Gods goedertierenheid, ook hier, verre weg roemde tegen het oordeel, aengezien Aaron, en allen die het minfte berouw over hun wanbedrijf betoonden en zich verborgen , verfchoond, en alleen de meesters van het kwaed en de hartnekkigen, nae verdiende, geftraft werden. — Dat voorts de Leviten in ftaet waren deze ftrafoeffening alleen uittevoeren, zonder blijk van tegenftand daer in ontmoet te hebben , is ligt te begrijpen , als men opmerkt ; dat ver de .meesten naer hunne tenten gevloden en van hun kwaed terug gekeerd waren; dat de overigen, door eten, drinken en fpelen, vermoeid, afgemat, en zorgeloos waren , en daerenboven, als een verwarde menigte, ongefebike waren om zich in eenige bekwame orde te verweeren; behalven dat Mofe wist en opgemerkt had, dat zy ontbloot waren van alle goede orde , tucht, en hulp ; zy waren van God verlaten, die integendeel op deze Leviten, als uitvoer* ders zijner gerichten, ontzach en heerlykheid leide.

29. Want Mofe hadde gefeyt , Vullet heden uwe handen den HEERE, want elck fal

zijn tegen , of volgens 't Hebr:, ja elk [zal zijne hand vullen] met fijnen fone , als hy aen volharding in dezen

afval fchuldig bevonden wordt, ende tegen fijnen broeder, als hy op gezegde wyze fchuldig is, en zal den zeiven, zonder verfchooning, doóden. Zy moesten hunne hand dan vullen, met zelfs hunne eigen kinders en broeders, die weerfpannig waren, niet te ontzien. De fpreekwys de hand te vullen ; is zoo veel te zeggen als intewijen, 't welk gefchiedde door offer-gaven in de hand van zoodanig iemand te geven, opdat hy die den Heere opofferde, waer door hy dan als een Priester in zijn werk gefteld en ingewijd werd,gelijk ons Kap. 28 en 29 reeds, verfcheiden malen, voorgekomen