is toegevoegd aan uw favorieten.

De bijbel, door beknopte uitbreidingen, en ophelderende aenmerkingen verklaerd.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EXODUS XXXII» 381

men is. Gemeenlyk vulde een ander de handen van den Priester, gelijk Mofe Aarons en zijner Zonen handen vulde; maer fomtijds wordt ook de Priester zelve gezegd dit te doen, II Chron. 13: 9 en 29: 31. Zoo ook hier, vullet uwe handen, enz. Mofe brengt den Leviten hier mede dnder 't oog , dat Gode te dienen in deze flagting, in dsze hoogstnodige Gerichtsoeffening, zonder aenzien van perfonen, eene offerande zijn zou, den Heere welgevallig , vergel. 1 Sam. 15: 18-22; dat, daer anderen, op dezen dag, met offeranden voor het kalf hunne handen gevuld, en zich tot Priesters gewijd hadden, zy dit heden moesten doen, als zulken, die aen Jehovah toebehoorden, door dit gerichte te oeffenen in den Naem des Heeren, tot betooning zijner gerechtigheid, tot handhaving zijner gefchonden wet , tot voorkoming van zwaerder gevolgen, en dus tot eere zijns Naems; en voorts, dat dit de weg zou zijn, om Gods ontfloken toorn te verzoenen , een verfchriklyker oordeel van geheele verdelging aftewenden, het kwaed te beteugelen, de wanorde te hcrftellen, en over hunnen Stam in 't byzonder een zegen te verkrijgen, waerdoor zy den Heere tot zijnen dienst zouden geheiligd worden, gelijk 'er volgt: ende dit, op dat hy heden eenen fegen over ulieden geve, met het Priesterfchap en den dienst des Heiligdoms, welke God ove^ uwen Stam verordend had, maer waer van gy door deze overtreding en ontheiliging van zijn Verbond vervallen waert, nogthans genadig op ulieden over te brengen en te bevestigen, als waertoe gy door deze gerichtsoeffening den grond zult leggen, en als 't ware ingewijd worden. Dit was dan geen geringe aenmoediging voor de Leviten, en de reden van hunne wakkerheid en fpoed in de uitvoering dezer geftreDge tucht, gelijk het dus door deze redengevende woorden, want Mofe hadde gezegd enz., met het verhael van de kloekmoedige uitvoering, vs. 2 8 > verbonden wordt. Deze voorgehouden belooning d jed hen, zonder aerzelen, en zonder aenzien van perfonen, den gewigtigen last volbrengen ; ingevolge hiervan hebben zy ook dit voorrecht verkreegen , gelijk Deut. 33: 9, 10 zal gezegd worden, en uit de gefchiedenis bekend is , dat Aarons geflacht tot het Priesterfchap, en de II. DE F! .