Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4778 LINDERNIA.

Bloempjes, met veele witte Meeldraadjes gevuld, welke gee'.e Knopjes hebben. De vyf Slippen van de Kelk, die wit en fmeerig zyn, omvatten deeze Bloem, welke, hoewel geen eigentlyk zogenaamd Honigbakje hebbende, van de Byën zeer bemind wordt, die op deeze Linde-Bloefem veel Honig vergaderen. Buitendien is de aangenaame geur, welken dezelve door kanen, dreeven en ftraaten ver.fpreidt, iederéén bekend, ftrekker.de in het daar van gedeftilleerde water tot eèn hoofd-en hartfterkend geneesmiddel, inzonderheid beroemd tegen de ftuipen en vallende ziekte.

De beroemde Tournefort heeft de Vrugt van den Lindeboom, als ééne holligheid hebbende, die twee Zaaden bevat, afgebeeld en befchreeven. Dit fchynt te ftryden tegen de opgegeevene Kenmerken; doch de Heer Linneus heeft waargenomen, dat maar één Zaadkorrel gewoonlyk tot rypheid komt, de overigen zydewaards weg drukkende, waar door de Vrugt eer,buizig voorkomt aan de genen, die het niet naauwkeurig onderzoeken.

Deeze Besfen of Vrugten, tot poeijer gemaakt, ■worden tegen het bloeden uit de neus, wanneer men hetzelve in de neusgaten propt, zeer aangepreezen. Niet minder roemt men de Bladen, uitwendig gebruikt, om de zwellingen der voeten te doen verftaan, en de flym uit den Bast getrokken, is tegen btand en wonden van dienst, zp wel ais het afkookzei der Bladen om kwaade zweeren in de mond en keel te zuiveren. Zy zweeten aan den Boom een foort van Honig uit, die de handen kleverig maakt, en door dezelven in water af te fpoelen bekomt men een zagt laxeerende drank.

2. Amerikaanfche Linde. Tilia Amerkana. Lindeboom, wiens Bloemen een Honigbakje hebben. Tilia Fioribits ATettmo inftrutcis. Kalm. Tilia Foliis majoribus maeronatis. Gron Virg. 58. Tilia amplisfimis glabris Foliis, noflrati ftmilis. Pluk. Alm. 181.

In Noord-Amerika heeft de Heer Kalm een foort van Linden waargenomen, die vyf Schubben , rondom het Vrugtbeginzel geplaatst hadden, welke aan de Wortels der Bloemblaadjes gehecht waren. Dezelven maaken dan het Honigbakje uit, waar door deeze van de Europifche Linden verfchilt. De Heer Clay. ton noemt hem, Linde met grootere gefpitfte Bladen. Plukenetius maakt ook van eenen, met zeer groote gladde Bladen, xxhMaryland, gewag, hebbende de Bladen zeer naar die der Olmen gelykende, en dus aan de eene zyde breeder, aan den Rand gekarteld. Aan anderen, van de Europifche foort, geeft hy Hazelnooten- en Berken-Bladen.,

LINDEN-PYLSTAART, zie PYLSTAART-KAPELLEN n. 3-

LINDERNIA is de naam van eenPlanten-Geflacht, onder de Klasfe der Didynamia of Tweemachtige Kruiden gerangfehikt. — De Kenmerken zyn, eenen vyfdeeHgenKelk, en eenen fmoelachtigen Bloem met de Bovenlip zeer kort; de twee onderfte Meeldraadjes een Tandje aan 'tend hebbende , en het Meelknopje zydelings daar onder. Het Zaadhuisje met eene holligheid.

Daar is maar eene foort tot dit Geflacht betrokken, te vooren Capraria Gratioloides geheeten, en thands Doosdraogende gebynaamd. Lindernia pyxidaria. Lindernia Linn. Syst. Nat. Veg. KUL Gen. 1315. 475- Ca

m LINKJE A.

prar'ia Gratioloides. Spec. Plant, II. p. 877. Lindernia. Allion. Aliq. 178. 7'. 5. Pyxidaria repens annua, Flosculis monop. unilobiatls. Lind. Af at. I. p. 152. T. 1 £f 2. p. 267. Ruellia Pedunculis folitariis unifleris. Gron. Virg. 73. Gratiola Floribus pedunculatis, Foliis ovatis crenatis. Gron. Virg. 3-

Dit Kruidgewas was eerst in Virginiën, op waterige plaatzen groeijende, waargenomen, doch werdt naderhand door den Heer Lindern in de Elfaz gevonden, befchreeven en afgebeeld, onder den naam van Doislndd, dat kruipt; een jaarlyks Gewas, met éénbladige éénlippige Bloemen. Naar deezen Kruidkenner, hadtde vermaarde Allion het zelve Lindernia getyteld. De Heer Linnjïus merkt aan, dat het uit Virginiën verhuist zy in ons wereltsdeel.

't Is een klein Waterplantje, dat een vierkante broofche gladde Steng heeft, fomtyds takkig en zweepig; met kleine ongedeelde Blaadjes, veel naar die van Guichelheil -gelykende, en pypige Bloempjes, die in twee lippen verdeeld zyn, waar van de bovenfte helmachtig is, deonderfte driedeelig. Ieder Bloempje komt eenzaam uit den Oxel der Bladen voort, en zit op een lang dun neerhangend Steeltje. De Kelk is in vyf lange punten diep verdeeld. Het Zaadhuisje is langwerpig en fplyt in tweeën van boven tot beneden, bevattende veele «eer kieine Zaadjes. Dus heeft de Heer Clayton dit Kruidje in Virginiën, alwaar het in de herfst bloeide, waargenomen. De Bloemen zyn bleek blaauw of paarschachtig.

LINIENSTEEN, zie DENDRIETEN n. 5.

LINKSE VYG , zie STEKEI.HOOKENS 40.

LINNjEA is de naam van een Planten-Geflacht, onder de Klasfe der DidynamiaoT Tweemachtige Kruiden gerangfehikt, dus ter eere van den grooten Carolus Linnjeus genoemd, die het famenftel der Kruidkunde, niet minder dan de geheele Natuurlyke Hiftorïe, in een goeden fmaak gebracht heeft. Deeze zo beroemde Man overleed den 10 January des jaars 1778. JEterno Fiutices Linneus in are comantes, Amftelice pofuit gratus amicitia: At Dea Plantarum Sobolcs cui credita, Myjltt Frondibus hts titulum fuldidit ipfa fui.

Jac. Phil. d'Orville.

De Kenmerken aan dit Geflacht eigenaartig beftaande, is eenen klokvormigen Bloem en dubbelden Kelk, die van de Vrugt tweebladig, die van de Bloem vyfdeelig, en deeze boven het Vrugtbeginzel, dat een

drooge driehokkige Bezie wordt. Da3r is flegts

eene foort van , waar van wy hier de befchryving laa» ten volgen.

Noordfche Linncea. Linncea borealis. Linncea. Linn. Syst. Nat. XII. Gen. 774- P- 421. Veg. XIII. p. 478. Linncea Floribus geminatis. Flor, Lapp. 250. T. 12. ƒ. 4. Hort. Cliff. 320. Flor. Suec. 522. 562./. 1. Mat. Med. 517. Hall, Helv. 608. Seo. Ver. I. p. 183. Sauv. Meth. 137. Kalm. It. 11. p. 263. Gort. Ingr. 100. Serpillifolia. Buxb. AU. II. p. 346. T. 21. Campanula Serpillifolia. Casp. Bauh. Pin. 93. Prodr. 35- Aft. Upf. 1720. p. 96. T. 1. Oed. Dan. T. 3. Act. Nidrof. IV. T. 4. f. 6.

Dit Kruid is gemeen op de drooge dorre bosch-velden, niet alleen van de Laplandfche Alpen, maar byna van alle koude bergruggen in Europa en Afia, ja zelvs

in

Sluiten