is toegevoegd aan uw favorieten.

Vervolg op M. Noël Chomel. Algemeen huishoudelyk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek [...]. Zynde het VIII.(-XVI.) deel van het woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

497Ö

MENSCH.

de, 15011 de bronwel des kwaads worden; en dewyl deeze vryheid tot de hoogde volmaaktheid van het geheel het meest bybracht, heeft God dezelve aan de denkende wezens toegedaan, en heeft het kwaad dus gedoogt, maar niet gewerkt. „ Het is niet mooglyk „ dat het kwaad geheel uitgedelgt worde, dewyl er , altoos eene tegendellihg van het goed zyn moet.

* Tot de Goden kunnen wy het niet verwyzen, " noodwendig heeft het zyn verblyfplaats op deeze I aarde en by onze flerflyke natuur. Derha ven

moeten wy zonder verzuim, uit deeze woonplaats

* des kwaads naar het verblyf der Goden vlieden; " deeze vlugt bedaat in de gelykheid met de Goden, " zo veel ons die mooglyk is, en deeze gelykheid Z maaken wysheid, heiligheid en gerechtigheid uit.' Plato in Theatetus, bladz. 93.

Ikwenschte wel, dat myne Leezers de fraaije plaats ,uit deeze famenfpraak van Plato, bladz. 6i—98, wel overwoogen, als ook in het Xde Boek, bladz. 290.

Ik haal deeze en eenige andere Wyzen van de oudleid alleen zo dikwils aan, om hier door by den eenen of anderen myner Leezers de lust op te wekken,

om het verhevene, net went zien m eene maate in hunne fchriften bevindt, zich ook ten nutte

je maaken. Ik maak gebruik van de franfche

overzetting van Plato, by Rf.y uitgegeeven.

Men veroirloove my hier nog eene betrachting over de Pfychologifche vryheid van den Mensch. Of de noodwendigheid eens toereikenden gronds by alle veranderingen, welke in de werelt der lighaamen of in de werelt der geesten voorvallen; ook de bedryven van een denkend Wezen noodwendig en onvermydelyk maake? Is eene vraag, die my voorkomt dat beter geheel onopgelost mogt blyven, dan dat die ten voordeele der noodwendigheid opgelost worde. Alles wat gefchiedt moet eenen grond hebben. Waar geen grond is daar is niets, daar gefchiedt niets. Dit kan niet geloochent worden. Maar hoe werkt deeze grond op de denkende Wezens? Moeten zy nood. wendig daar na handelen, wanneer deeze grond daar is? Staat het in hun vermogen eenen beweeggrond te vermyden of niet te vermyden. Kunnen zy dus er. gens fchuid aan hebben, of niet? Myn inwendig gevoel zegt ja op dit laatde, en dit kan ik my niet door eenen ophef van vernuft zo ligt ontpraaten laaten; te minder nog, om dat wanneer ik het ongeluk hadt my te overreden, dat ik flegts eene machine was, ik als dan geen lust meer fcheppen zou om deugdzaam te zyn, of geen afkeer meer voeden om ondeugend te worden. Het leeven zou my tot eenen last verftrekken, zo ras ik denken kon, dat het onverfchillig was goed of boos te zyn. By aldien ik niet alles voor waar houden kan, wat tot bevordering der deugd dienen zou kunnen: zo moet ik nogthands ongetwyftelt dat gene vast voor valsch houden, wat tot aanmoediging van boosheid en ondeugd drekken kon, zo het geloof vondt.

Het fchynt eens en vooral beweezen, dat de bronnen .der ongeregeldheden welke het menschlyk geluk doo ren niet van kwaad alleen overdroomen, maar dat ook de edelde volmaaktheden daar uit voortvloeijen; dat de grootfte bekwaamheden van den Mensch, zonder deezen machtigen invloed, zich niet zouden kun-

MENSCH;

nen ontwikkelen, en dat wy den Mensch van zyne verhevenfte voorrechten berooven zouden, wanneer wy hem deeze bronnen verftoppen wilden.

By aldien het dus een bepaalde regel in de natuur is, dat ieder menschlyk genoegen, dan eens meerder dan eens minder, maar egter geftadig met eenen droppel bitterheid, en dat alle tydelyke volmaaktheid met mangel vermengt moet zyn; dan willen wy het gaarne aan eene gewaande doch valfche wysheid overlaaten, om met den Hemel te twisten, waarom hy da Menfchen tot geene Goden gemaakt heeft of hadt kunnen maaken. Wy willen, in tegendeel, de heilige oogmerken eerbiedigen, door welken de Schepper goedgevonden heeft, met het goede het welk hy de Menfchen aanbied, kwaad te vermengen. Wy willen onze poogingen aanwenden om de indrukzels van de overmacht daar van te verzwakken, zo veel ons doenIyk is, en wy willen ons over het kwaad, het welk het menschdom drukt, daar mede troosten, dat wy hier uit leeren kennen, hoe zelvs de bron van onze ellende de bron wordt van eene hoogfte gelukzaligheid, by aldien wy ons dezelve wyslyk weeten ten nutte te maaken,

Deeze bron is de verbeelding, demoeder van onze driften en ondeugden, zo wel als van onze bekwaamheden en deugden. Zonder deeze toverende gaaf kan de Mensch de werkzaamheid, die zo noodig is voor de gezondheid van zyn lighaam en voor de geregeldheid van zyne ziel, flegts zeer onvolkomen oeffenen. Zonder haar kan hy geene zyner verhee«on ^iplc\7Prmncpn nntwikkelen. Zonder haar kan hv

die gelukkige harmonie niet genieten, welke de eeuwige wysheid tusfehen iedere volmaaktheid der on* telbaare gefchaapene voortbrengzels, en zelvs tusfchen de volmaaktheid van het eenig ongefchaapen wezen met de gevoelens der menschlyke ziele, heeft plaats doen vinden. Zonder haar kan hy zich niet verheffen tot die zo groote als ontwyffelbaare waarheid „ dat de eeuwigheid zyn doel, en dat een on-

eindiger voortgang in de volmaaktheid zyne be" ftemming is. God heeft den Mensch in de werelt " gefteld ten einde hy God en zyne werken befchou" wen, en riet alleen befchouwen, maar ook den " uitlegger daar van zyn zou; het zou den Mensch '\ dus t'öt fchande verftrekken, byaldien hy zyn be" ftaan even als de dieren aanvangen en volbrengen " wilde. Wy moeten wel aanvangen waar zy aan" vangen, maar ophouden waar de natuur aan ons " opgehouden heeft,- en zy heeft by de befchouwing, " by duidelyke kennis en by eene met de natuur over" éénftemmende leiding des leevens opgehouden".' Èpictet. by Arrian. ijle Boek 6de Hoofdftuk. Hy zou zonder haar op verre na niet zo gelukkig, op verre na voor zynen welvaart niet zo vatbaar zyn, als hy, door een wyslyk gebruik van dezelve, worden kan. By aldien hy dus al eens de magt bezat haar in zyne ziele te verflikken, zou hy nogthands van zodaanigen wensch verre af zyn, wiens vervulling hem van de grootfte zyner voorrechten berooven moest.

Deeze verbeelding is de eenigfte dryfveder van het weldaadig grondbeginzel, het welk met eene on we. derftaanbaare macht den Mensch, die voor edeler uitzichten of leevendiger gevoelens vatbaar geworden

is,