is toegevoegd aan uw favorieten.

Vervolg op M. Noël Chomel. Algemeen huishoudelyk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek [...]. Zynde het VIII.(-XVI.) deel van het woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^8<y MESSERSCHMIDHL

en zingen van lofzangen, kon uitdryven: en dat, Z wanneer die booze Geest uitgedreeven was, de

zuivere ziel tot God keerde, en weder veréénigd " werdt met het Godlyk Weezen, waar van dezelve ' was afgefcheiden geweest." By deeze hoofd eere voegden zy verfcheide andere fchriklyke gevoelens, die zeer zweemden naar de ftellingen der Manicheen,. en duidelvk uit denzelvden oirfprong als de dwaalingen der Manicheen, de Oosterfche Wysbegeerte naamlyk, voortkwamen. ZieEpiPHANius,.^OT. * io67. Theodoretus, Fabul. Hcerenc. Lib. IV. Cap. X ft 6ii Timotheus, Presbyter, de receptione hareti'conm, gedrukt in Jo. Bapt. Cotelerii Monumentis icclel Grceece, lom! IU. p. M. Jac Tollii, Mg„icTlteneris Italici, p. HO. Jos. Sim. Assemabi Biblieth. Oriental. Clement. Vaticana, Tom. I. p. 128. lom. UI Part. II. p- 172 Met één woord, de Eu-

chi'ters waren eene foort van Myftiken, die zich, volgens het heerfchend begrip in 't Oosten, verbeelden, dat 'er in den mensch twee zieien huisvesten, eene goede en eene kwaade, en die al hun yver te werk ftelden, om de wederkeering van de goede ziel tot God te verhaasten door befpiegelen en bidden. Het

uitwendig vertoon van deugden uousaien&iucuciji.;6» deezen aanhang, eigen, bedroog 'er veelen, terwyl de Grieken, in alle volgende eeuwen, zich.daar tegen met alle magt verzet hebben. 't Is noodig.

hier aan te merken, dat de benaaming van Mesfahaanen en Euchiten, onder de Grieken en Oosterlingen, van eene uitgebreide beteekenis was,, en door hun segeeven werdt aan allen , die de ziel tot God poogden op te heffen, door dezelve van alle aardfche en zienlyke voorwerpen af te trekken, hoe zeer ook deeze géestdryvers van elkander in hunne denkbeelden over andere onderwerpen, mogten verfchillen.. MESSEHEGHT, zie SCHEEDEN n. 2.. MESSERSCHMIDIA is de naam van een PlantenGeflacht onder de Klasfe der Pentandria of Vyfmanm■£e Kruiden gerangfehikt, hebbende tot Kenmerken ten trechteracktige Bloem, met een naakten keel, zynde de Vrugt een kurkachtige Befie, in tweeën deelbaar, waar van ieder tweezaadig.

Daar is maar eene foort van, welke de Heer Likwsus voorheen tot het Geflacht van Tournefortia betrokken hadt. Zy voert de bynaam van Siberijche Mes. lerfchmidia. Sibirica Mesferfchmidia. Linn. Syst. Nat. Vil. Gen, 1245- P- H9- Feg. XIII. p. 161. Mant. 42, 0,4. Tournefortia Siberica. Spec. Plant. 202. Argufia montana Amm. Rutk, 38. Mesferfchmidia. Hort. Upf. 36. AH. Petrop. 1763. p. 315- T. ii.

Dit Kruid groeit op zandige, drooge, dorre ber. -sen, aan de rivier Ar gun in Siberiën, volgens den kruidkenner Messerschmid, welke'er, des wegen, den naam aan gaf van Argufia, hoewel men ze ook elders vindt. De laatere Kruidleezer, de Heer Gme» xin verhaalt, dat de Mesferfchmidia overvloedig aan -de Don, die in de Kaspifche zee valt, doch ook nergens, dan in zand groeit. Gmel. Sfai^n. I. 2$. &t<tï#,

1 Volgens den eerften vinder van dit Kruid, daar het Geflasht den naam naar voert, geeft het uit eenen harden hlyvenden Wortel veele Stengetjes, zelden hooger dan een voet, fomtyds in Takjes verdeeld, jtset Bladen o?ss. fe« Vlaschkruid |eIykerideE.b^

MESÜA'.

dichte tropjer, wederzyds groen, zagt en glad. Bner vier, en meer Bloempjes komen in de oxels en aasde toppen voort, en de Vrugt gelykt naar die van. den Sorbus, doch is droog. Door de voortteeling uit Zaad,. in de Petersburg fche en Üpfalfche Kruidheven, fchynt het aanmerkelyk veranderd te zyn geweest: doch het aart 'er niet, zo min als veelen vair de koude Bergplanten. MESSING, zie KOPER.

MESTICAB1A GAR1L , zie KÓM-DOUBLETTEN n. 3.-

MESUA is de naam van een Planten-Geilacht, on.' der de Klasfe der Monadelphia of Enkelbroederige Boemen gerangfehikt; zynde de Kenmerken van dit Geflacht, dat zynen naam van den Arabifchen Geneesheer Mesue heeft ontleend, beftaande in een enkelde vierbladige Kelk en Bloem; een enkelen Stamper,, zynde de Vrugt een vierhoekige Noot, met één Zaad.

Hier is maar eene foort van, de Kajlanje Roofienboom. getytelt. Mefua ferrea Mefua Foliis lanceolatis. Linn.. Syst. Nat. Tom- II Gen. 665. p. 465 Flor- Zeyl. 203.. Arbor Naghasfeu ferrea. Burm. Zeyl. 25. Baluna-tfiam. pacamf. CafianeaRofea Indica. Hort Mal. III. p. .63. ZV 3. Raj. Hist. i6bo. Burm. Fl. Ind. 121. Nagasfarium. Rumph. Amb. VIL p. 3- T. 2.

Het toe behoort ééne foort, welke den bynaam. van Ferrea voert wegens de hardheid van deszelvs Hout, by de Portugeezen Pao Ferrao, by onze Natie, op Ceylon, Tzerhout genoemd wordende,, zo de Hoog? leeraar J. Burmannus aantekent. De Nederlanders, aan de Kust van Malabar, noemen de Bloemen, vol. gens Commelyn, KastanjeRoozen. Het is aldaar een zeer groote Boom, die eene Kroon als de Linden heeft, met eene gladde geelachtig rosfe Schors, deBladen langwerpig rond, dik, van boven glanzig, groen, van onderen met een blaauwen waasfem als de Druiven; de Bloemen naar die der Eglantier-Roozen gelykende, doch wit van kleur en zeer aangenaam van reuk, waar op Vrugten volgen , die klootrond zyn en inkleur, gelyk derzelver Pitten, wier getal drie of vier is, in grootte, figuur en fmaak, veel naar Karftengen gelykende. Men ziet dan, dat de gezegde ' naam niet oneigen is. In de Wortels, Schors en Bla? ■ den, ja, om kort te gaan, byna in de geheele Boo« - men, heerscht een kruiderige geur en eene bittere r„,„„t . top«haIve men 'er tot zweetmiddelen en tesen-

giften'gebruik van maakt. De jonge Vrugten zyn met zekere Gom bekleed, welke ook fcherp is en van een aromatieken reuk.

Thands betrekt de Heer Linn^bs tot deeze foort ook de Nagasfari van Rumphius, welke, door den. Heer N. L. Burmannus tot het Geflacht van Cs/a. phyllum betrokken was: en inderdaad, dat Gewas, Na. easfi genaamd by de Jav3anen, verfchilt in alle op. zichten zeer. Het blyft een laage Boom, van zes voeten hoog; de Bladen gelyken naar Wilge-of Olyf. boomsbladen. De Vrugt, onryp zynde, zweemt naar een Eikei, en behoudt ryp wordende, zyn puntje,, ^aande in drie of vier'deelen open, en dan een enke» len Korrel uitleverende, hard en van binnen hoog? geel, die zich' in tweeën iaat deelen. Het eenigfte.' is dat de Bloemen een zeer aangenasmen reuk hebben, weiken zy gedroogd nog lang behouden, wor-•

deade derzelvej gedroogde Blaadje*, die naar Eoelfeu