Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MOR^A.

MORDBERNERS.

Hffius aantekent; maar met een tweebladigen Kelk heeft het 'er maar drie, en kan dus hier behooren. Dillenius hadt 'er een nieuw Geflacht van gemaakt, onder den naam van Cameraria. Rurnus heeft de Bloem verkeerdelyk voor vyfbladig aangezien. MieHELius geeft een zeer naauwkeurige afbeelding van dit Kruidje, dat veel naar het Muur gelykt, zeggende dat het in moerasfige en natte velden van Bohemen groeit. Een kleinere verfcheidenheid daar van , zo 't fchynt naauwlyks een duim hoog, was op 't gebergte by Piftoja in Toskanen, tusfehen Lucca en Flo' rence, inzonderheid by zekere herberg aldaar, gevonden. Het komt in onze Provinciën , op broekige plaatzen, zo in Overysfel als in Friesland, gelyk ook op zand- en veengronden, die vogtig zyn, overvloedig voor.

De Akker-Forcelein van C. Bauhinus, hier t'huis gebracht, door Rajus in Engeland fomtyds tusfehen Jt koorn gevonden, komt overéén met de Kleine Por> felein van Camerarius, by Leipzig in de akkers gemeen, fchynende het zelvde Plantje te zyn, dat volgens J. Bauhinus voorkomt in fommige beeken, met Blaadjes als van de Porfelein, groeijende één of anderhalve handpalm hoog. Deeze grootere, zo wel als de kleinere, groeijen volgens den Heer Haller inSwit. zerland. Dit is de Portulaca Arvenjis. C. Bauh. Pin. 228. Alfine palufiris Portulaca aquatica fimilis. Raj. Hift. 1035. Pet. Herb. T. 10. ƒ. 12. Alfine aquatica furreüior. J. Bauh. Hift. HL p. 7Ü6. Portulaca exigua five Andrachnion Arvenfe. Camer. Hort. p. 131. MOORDBRANDERS, zie MORDTBERNERS.

MOOREN, zie STEKELHOORENS n. 35.

MOOREN-BUIKJE , zie PORSELEINHOOB.ENS ti. 15.

MOOREN-KAPPEN, zie BLAASKRU1D n. 2.

MOORSTEEN, zie ROTSTEENEN n. 22.

MORiEA is de naam van een Planten-Geilacht, ender de Klasfe der Hriemamige Lelie- of Bolplanten gerangfehikt, en dus door den Heer Millergenoemd ter eere van den Schildknaap Robert More, een Kruidkundig Heer in Engeland. —— De Kenmerken , die het zelve van het Geflacht der Irisfen onderfcheiden, zyn, een zesbladige Bloem, met de drie binnenfte Blaadjes, uitgebreid; anders komt het daar mede overéén. ■ De drie volgende foorten, alle aan de Kaap de Goede Hoop van natuurehgroeijende, zyn 'er in vervat.

1. Groeizaame Moraa. Msraa vegeta. Moraa, met gefleufde Bladen. Moraa Foliis car.aliculatis. Linn. Syst. Nat. XII. Gen. 60. Feg. XIII. p. 79. «. Moraa Spatha biflora, Caule planifolio, Floribus minoribus. Mill. Ic. 159. 71 238./. I. i3- Moraa Spatha biflora Flor. majorilus. Mill. Ic. 159. T. 238. ƒ. 1.

Van deeze heeft Miller twee afbeeldingen, de eene met kleinere de andere met grootere Bloemen. De eerfte befchryft hy, als een Plant mer een bol. achtig Worteltje, gelyk de Crocus, dat jaarlyks ver¬

nieuwd wordt, ue Mengel, van onderen paarseh, wordt omtrent een voet hoog, en is voorzien mst fmalle platte Bladen, welke haar fleufswyze omvat¬

ten , meer langte nebbende dan de btengel, doch nap zynde en donker groen. De Bloemen , aan den top, komen by paaren voort uit een tweekleppig Scheedje. Zy hebben ieder een Steeltje met een Vrugtbeginzel,

waar op de Bloem zit, die zesbladig is of tot den bodem in zesfen gedeeld. Deeze Blaadjes zyn van figuur als een piek-yzer, beurtlings één fmaller, één breeder, gelyk gewoon is in de Lelieachtige Bloemen. Zy fpreiden zich vlak uit en gelyken dus te famen niet kwalyk naar de Bloemen der Nigelle of Juffertjes in 't Haair. Ook is de kleur bleek blaauw, met een geele vlak by 't midden, alwaar drie kleine Blaadjes overend ftaan, omringende het Vrugtbeginzel en den Styl, die met drie dikke gegaffelde Stempels is gekroond, allen blaauw van kleur. Het eyronde Zaad. huisje bevat in drie hokjes veele rondachtige Zaaden.

Die met groote Bloemen heeft dezelven enkeld in een Scheedje, een weinig grooter, bleek paarseh en eveneens gevlakt, maar de Stengel is tot onderen groen.

2. Biesbladige Moraa. Moraa Juncea. Moraa, met elsvormige Bladen. Moraa Foliis fubulatis. Burm. Flor. Cap. Prodr. 2.

Deeze zo wel als de voorgaande, bloeit byna jaarlyks by ons, zegt de Heer N. L. Burmannus, met Bloemen van eenen dag, die eene byzondere violette kleur hebben.

3. Lischachtige Moraa. Moraa Iridioides. Moraa, met degenvormige Bladen. Moraa Foliis enfiformibus. Linn. Mant. 28. Moraa Spathdunifiora Foliis gladiatis, Radice fibrofa. Mill. Ic. 159. T. 239. /. 1. Iris Orientalis pumila fempervirens Rc. Till. Pis. 89- T. 33.

Deeze Plant groeit ook natuurlyk aan de Kaap der Goede Hoope, zegt Miller , van waar de Zaaden, onder den naam van Witte Water-Lely, overgebracht waren, die in de Tuin van Chelfea opgekomen zyn, alwaar de Plant gebloeid heeft. Hy geeft 'er de'af. heeldine van. waar uit blykt, dat dezelve wel veel

pelvkt naar de voorgaande, doch tevens nader aan de

Irisfen komt, verfchillende daar van alleen, door de geheel uitgebreide Bloem, zegt Linnsus, die daar toe ook betrekt, een levantfche laage altyd groene Iris, door den geleerden Tillius in de Toskaanfche Hortus te Pifia waargenomen.

Deeze heeft vezelachtige Wortelen, zo wel als die. Hy hadt ze by Konftantinopolen gevonden en merkt aan , dat zy van de Smalbladige Iris, die een abrikoo» zen-reuk heeft , van Bauhinus , weinig verfchille, hebbende grasachtige fpitze ftyve Bladen en reukelooze Bloemen , geel en blaauw gemengeld. Derzelver gedaante fchynt van die der Kaapfe van den Heer Miller iets af te wyken, hoewel het Gewas anders taamelyk daar mede ftrookt.

Tot deeze foort behoort, wat het Loof aangaat, veel nader dan tot de voorigen, die Moraa, welke, uit het Kruidboek van Buchodz, onlangs te Nemenburg, onder den naam der eerfte foort, is aan 't licht gegeeven. Zy was aldaar Moraa met elsvormige Bladen, Iris d' Afrique, dat is Afrikaanfche Iris, genoemd. Moraa vegeta. Eclogce Botanica. Norimb. 1778. Manip. I. Tab. 4.

MORCHEL-ZWAM, zie RIMPELZWAM n. 1.

MORDBERNERS, 't welk door Moordbranderskan vertaald worden, is een woord dat men in verfcheidene oude ftukken ontmoet; en ingevolge de gedachten van den kundigen Heer T. W. Racer, uit de wet¬

ten der Middeleeuwen getoond kan worden, dat men doos Moordbrand verftond, brandftichiing gepleegd

aan

Sluiten