Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MOSSEL-DOUBLETTEN.

MOSSEL-DOUBLETTEN.

5053

tandeloos, onderfcheiden door een elswyze uitgeholde Streep overlangs. Het Dier is een Asci&ia, Men vindt 'er onder die als met Klaauwen zich vastkrammen, gelyk de Haanekammen en Laurierbladen zo genaamd; die Ooren hebben en plat zyn , gelyk de Paarl-Oesters; alsook die langwerpig en dikbuikig zyn,

gelyk dePholaden, Mosfeienen dergelyken. Van

deeze laatften komen vyftien foorten in dit Geflacht voor, dat van de anderen maar vyf, en dus in 't geheel twintig foorten bevat.

1. Haanekam. Mytulus Ckrista Galli. Mosfel-Doublet, die de Schaal geplooid heeft en gedoomd, met de beide Lippen ruuw. Mytulus Testa plicatafpinofa, Labro utroque fcdbro. Linn. Muf. L. U. 537. N. 128. Ostreum plicatum minus. Rumph. Muf. T. 47- f- O. Gualth- Test. T. 104. ƒ. C, D, E. Auris Porei five Christa Galli. Argenv. Conch. T. 23. (20) /. D. Sloan. 7am. I. 18. ƒ. I. Knorr. Verzam. I. D. PI. 29. f. 2. IV. D. PI 8. fi 3. & 10. ƒ. 3, 4. 5- V. D. PI.

Hier door worden die Doubletten beöjgd, welke men gemeenlyk Haanekammen noemt, hoewei fommigen 'er ook den naam aan geeven van Varkens-Oor en, in 't fransch Oreille de Cochon. Rumphius befchryft ze, eenvoudiglyk, onder den naam van Geplooide Oester's, doch zegt, dat zy een groote zeldzaamheid uitmaaken. Gualthieri betrekt ze tot de Oesters van een byzonder maakzel. Linnjeus heeft opgemerkt, datde Lippen aan den binnenften Rand ruuw zyn, 't welk ik ook in de mynen waarneem zegt de Heer Houttuyn; docn ik neb een groote vervolgt hy, die uit twee aan elkander gegroeide Doubletten beftaat, en daar in heeft de Kleinfte, die ook feen weinig in kleur verfchilt, de binnenfte Randen geheel glad en effen. Deeze heeft zo wel van onderen als van achteren een foort van doornen of punten, welken als tot klaauwen dienen, om zich aan de zeegewasfen, in dezes, te hechten. Daar komen ook Groepen voor, van drie en vier Haanekam-Doubletten aan één gegroeid, die dan in groote waarde worden gehouden, inzonderheid wanneer zy fterk getakt zyn. Zy vallen in Oost- en Westindiën.

2. Gebladerde Mosfiel-Doublet. Mytulus Hyotis. MosfeU Doublet, die de Schaal geplooid en gedekt heeft met uitgefpreide platachtige Schubben, de Lippen beide gfad. Mytulus Testa plicata imbricata Squamis compresfis patulis Labro utroque teyi. M. L U. 538. N 129. Ostre im plicatum majus. Rumph. Muf. T. 47. fi. C. Ostret,m fylvestre. Argenv. Conch. T. 23. (26) ƒ. H. Knorr Verzam. I. D. PU 29. f. ï.

Om dat d'Argenville deeze Ofireum fylvestre tyfelt, zou men 'er den naam- van Wilde Oester aan geeven kunnen, maar hy zegt, dat die naam daar van afkomftig is, dat zy zich aan ftukken Houts hecht. De aangehaalde flguur van Rumphius is een Getakte Haanekam, doch zyne befchryving fpreekt van een dikfchaalige Oester, met verheven Plooijen, de Rug bezet hebbende met lange Schubben, die als Nagels famengerold' zyn, zeer ruig en modderachtig van kleur; 't welk weinig met de fchoonheid der getakte Haanekammen ftrookt. De kleur is, volgens d'Ar. genvtlle, naar het green trekkende en zeer gemeen. Men vindt ze ook gehecht aan Zee-Gewasfen»

3. Gekamd Laurierblad. Mytulus Frons. Mosj"el-Doublet, die de Schaal geplooid en gladachtig heeft, met de ééne Lip ruuw. MytuPus Testa plicata Iceviuscula, Labro altera fcabro. Linn. Muf. L. L7. 537. N. 127. Crct' titim jive Folium. Argenv. Conch. F. 22. (19.)/. D.

Onder de zogenaamde Laurierbladen komen 'er voor, die zeer naar Haanekammen gelyken, doch niettemin eene bladerige geftalte hebben, en aan een Takje zitten. Nog zeldzaamer zyn deeze dan de andere Haanekammen, en fchynen hier bedoeld te worden. Het Scharnier is een enkele ftreep, zonder kuiltje.

4. Paarlemoer Schulp. Mytulus Margaritiferus. Mosfel-Doublet, die de Schaal famengedrukt, plat en rondachtig heeft, aan 't Scharnier dwars afgefneeden, fchubswyze bekleed mat getande Rokken. Mytulus Testa compresfo-plana fiiborbiculata, Bafi transverfa, imbricata Funicis dentatis. Linn. Muf. L, U. 538 N. 130. Bonann. Recr. 2. T. 1. Concha margaritifiera. Imperat. Nat. 905. List. Conch. T. 223. fi. 57. Matrin Perlarum. Rumph. Muf. T. 47. f. F. Gualth. Test. T. 84» Fig. E, F, G, Gallina guttata ou la Peintade. Argenv. Conch. T. 23. (20.) f. A Knorr. Verzam. II. D. PI. 25. fi. 1.

De Paarlemoer-Schulpen worden hier tot eene zelvde foort gebracht met de Paarldraagende Schulpen oïPaarl; Oesters. Het fehynt ook niet ongevoeglyk te zyn,' dewyl men in de Paarlemoer-Schulpen, op zekere plaat» zen en tyden en in zekere omftandigheden, volgens Rumphius, Paarlen aantreft. Zeker Landfehap, Solok genaamd, aan de noordzyde van Romeo, heeft een vlak ftrand, daar Paarlemoer-Schulpen vallen, dieniet alleen altemaal, maar ook de Visfchen zelvs, die zich aldaar ophouden, zo hem verhaald was, Paarlen in hebben: weshalve ook de Koning van dat land dit ftrand door fterke wagten deedt bewaaren, op dat 'er niemant visfchen mochte. Aan de Molukkifche Eiland den komen in eenigen Paarlen voor, doch in de Ani' boinfche Tafelborden, gelyk hy de Paarlemoer-Schulpen noemt, hoedaanigen by 'er gehad hadt van een fpan breed, vindt men, zegt hy, geene Paarlen. Als deeze Schulpen Paarlen bevatten, dan worden zy gevonden omtrent ftranden en kusten die gantsch bar en droog zyn, zonder eenig versch water, en daar de grond ziltiger is dan de zee zelve. Dergelyke Paarlemoer-Schulpen, voegt hy 'er by, worden ook uit Westindiën in de Nederlanden overgebracht, doch de voornaamften komen voor in de Golf vanPerfie, inzonderheid aan de zyde van Arabièn, alwaar weleer de vermaardfte Paarlbank is geweest, en zy worden aan 't Perfifche Strand te koop gebracht, dienende meest om 'er Oesters in te braaden.

Zodaanige Schulpen zyn by geheele partyën, en van ontzachlyke grootte, onlangs uit Oostindiën herwaarts gebracht. Men hadt 'er onder, van rykelyk een voet over 't kruis en meer dan een vinger dik. Zy hebben de gezegde kenmerken, van, naamelyk, by 't Scharnier als dwars afgefneeden en fchubswyze bekleed te zyn metgetande rokken. Haar Paarlemoere bekleedzel, van binnen, is zo dik en ftevig, dat men, warneer de buitenfte Schors is afgevyld of afgefleepen, nog eene Schulp van bekwaame dikte behoudt, die uit- en inwendig Paarlemoer is. Aan 'tScharnier zit een zocmnie van doijkei blaauwe kleur, Ttt 3 met

Sluiten