Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PARNAS-KAPELLEW,

t'huis boort, is door den Heer Jacquiw op de Karibi* fihe Eilanden zo wel als aan de nabuiirige Vaste- Kust

waargenomen, zynde naar 't leeven ten opzicht van de Bloemen en Vrugten afgebeeld. Zyn Ed. befchryft dit Gewas, dat men ook in de openbaare kruidhoven van Europa heeft, als volgt.

Het is een rechtftammige takkige, zeer fraaije Boom., van twaalf voeten hoog, die den Bast, aan (tam en takken, lang groen behoudt, wordende dezelve eindelyk, in de oude Boomen, bruinachtig en geftreept. Het Hout is wit. Aan de Takken zyn hier en daar fcherpe Doornen. Vier of vyf Bladen komen by elkander voort, van eene zeer zonderlinge figuur; Zy gelyken wel, wat de langheid en fraaiheid aangaat, naar die van de Eurepifche Brem, weshalven de Franfchen , in deWestindiën, ook dit Gewas Genet epineux, dat is Gedoomde Brem, tytelen: maar zy zyn, over de geheele langte, van byna een voet, met een menigte van ongemeen kleine ovaale Blaadjes wederzyds be zet, zo dat men ze als gevind kan aanmerken. De enden der takjes geeven Aairen uit, van tien Bloemen of daar omtrent, welke geel zyn, groot en aangenaam van reuk, bedaande uit vyf Blaadjes, wat ongelyk van grootte, en waar van het hovende, om laag, roode vlakjes heeft, 't Getal der Meeldraadjes is tien, met een enkelen draadachtigen Styl. De Vrugten zyn langwerpige, fmalle ronde Ha3uwen, als uit Zaadhuisjes, die ieder een eyvormig Zaad bevatten, famengefteld, en daar tusfchen zeer naauw en plat famengetrokken. Uit deeze, onder de Zaaden van de Poinciana gezaaid, komen op Martenique ongemeen fchoone heiningen voort. Zy bloeit 'er verfcheiden maaien in een jaar, en draagt dan rype Vrugten.

PARNAS-KAPELLEN is de naam eener Bende van gevleugelde Infekten tot het Geflacht der Dag. •Kapellen behoorende, waar van vyftien foorten zyn, daar wy hier de befchryving van laaten volgen.

I. Sweedfche Kapel. Apollo. Parnas-Kapel, die de Wieken langwerpig, ongekarteld en wit heeft; de achtereen van boven met vier, van onderen met zeven Oogjes. Papilio Heliconius Aiis oblongis integerrmis albis poftkis ocellis fupra quatuor, fubtus feptem. Linn. Faun, Suec. 802. It. Goth. 230, Mouff. Inf. 94. ƒ. 2,

3. de Geee. Inf. 1. T. 18. /. 12, 13. Pet. Muf. 49. n. 502. Gaz, T. 23. ƒ. 8. Schaeff. Monogr. 1754. T. 2. ƒ. 2, 3. Raj. Inf. 193. n. 2. Roes. Inf. IV, p. 29. T.

4. ƒ. 1, 2. fj? III. Tab. XLV. ƒ. 1, 2.

In de laatfte jaaren is deeze, die te vooren niet gemeen was, zeer berucht geworden, onder den naam van de Sweedfche Kapel. Men ontmoet dezelve, naamelyk, in eenige iandftreeken van Smeden, en dus heeft het invoeren der geleerdheid in 't Noor* den, met behulp der reistochten van Linn^us dóór zyn vaderland, dit fchoone Infekt uit de vergetelheid opgedolven. Het is reeds langer dan een eeuw bekend, en door Mouffetus zeer lomp afgebeeld geweest, doch naauwkeurig door Ray befchreeven, die zegt, dat hy deeze Kapel op den top van een gebergte by Geneve gevonden, en dat Petiver dezelve uit Noorwegen gekreegen hadt.

Onze Autheur bevondt zich, den 3 July des jaars 1741, in zyne Gothlandfche Reize, op den Thorsburg, een berg aan de oostzyde byna in 't midden der langte

PARNAS-KAPELLEtf, sw

van dat eiland; wiens effene vlakte, van ©Bgevaar tweeduizend ellen lang en even zo breed, met veelerlei zo gemeene als zeldzaame Kruiden begroeid was, doch meest ontbloot van Geboomte; zynde het zelve al van overlang door brand verteerd. Van deezen vlakken top kon men meer dan dertig kerktoorens op Githland befchouwen, en de hoogfte bosfehea vertoonden zich als een groen veld. Aan alle kantea was de berg zeer fteil en naauwlyks te beklauteren, doch aan de zuidzyde liep hy langzaam af en was aldaar met een muur van kalkfteenen omtoogen ; even of men 'er een vesting van hadt willen maaken ; ja of de Natuur denzei ven daar toe gefchikt hadt: aange. zien 'er een meirtje op den top was, dat nimmer uitdroogde.

Mogt dan deeze niet met recht deParnafus-Berg ge. noemd worden; terwyl de opperfte der Parnas-KapeU len 'er zynen hoofdzetel hadt? Linn^us, immers, vondt aldaar in groote menigte onzen Apollo, die in Sweeden anders-, zegt hy, niet gemeen, en buitenslands nog zeldzaamer is. De Kapel was zo moede, datzy niet weg vloog, 't welk hy niet wist, of het aan 't natte weder, den wind of koude, toe te febryven ware. Linn. Qchnb. «tu). <3ctjU Sfcifcn. JfraUti-}6A. »«fl, 248.

Men vindt deeze Kapel ook in de zuidelyke deelen van Europa. Doktor Scopoli getuigt, dat dezelve huisvest aan den voet der hooge bergen van Karnioliën; en vergelykt ze by het Duitfche Witje, doch merkt aan , dat de Apollo grooter is en omtrent de hondsdagen uitkomt, zynde een langzaame vlugt hem eigen, waar door men ze gemakkelyk kan vangen. De beide Wieken, zegt hy, zyn doorfchynende, klaterend, van onderen helder en byna kaal. Op de voorfte Wiek, die den rand doorfchynende heeft, is een rondachtige zwarte Vlak, naar den binnenrand toe; en aan den grondfteun van de aebterfte Wiek zyn van onderen twee vermiljoen-roode Vlakken, Sprieten heeft deeze Kapel van byna een half duim lang, het Steeltje wit en zwartbont, het Knopje zwart. Ten opzicht van de Vlakken vondt hy daar in ettely. ke verfcheidenheden. Entom. Carniol. Vindob. na. pag. 68.

De Hser de Geer verbeelde zich <Jat de Rups van deeze Kapel, die hy in mey reeds in haare volle groote vondt, den winter doorbracht in die geftalte. Zyis, zegthy, van middelmaatigegroote, en, wan. neer zy het Lyf uitrekt, byna twee duim lang, hebbende de dikte van een derde duims. Haar kleur is, over'tgeheel, een allerfchoonst fluweelachtig zwart, opgeluiflerd door twee ryën van roodachtig oranje, kleurige Vlakken, wederzyds langs de Rug heen loopende, onmiddelyk boven de Luchtftippen. Deeze Vlakken zyn beurtelings groot en klein, de grooten langwerpig, dekleinen rond: men vindt'er gemeenlyk vier op ieder Ring van 't Lyf, dat een menigte van halfronde knobbeltjes heeft, welke met kort en ftyf haair bezet zyn, van eene glinfterend zwarte kleur, die naar 't blaauwe trekr. Van deeze Knobbeltjes zyn 'er veertien op ieder middelden Ring. Het ove. rige des lighaams is ook bezet met kort ftyf haair, dat ftomp uitloopt. Zy heeft zestien Pooten, en, ge*" Iykerwys de fchoone Venkel-Rups, een lighaamsdeel, dat zy achter den Kop vorkswyze kan uitteken;

X 2 doek

Sluiten