is toegevoegd aan uw favorieten.

Vervolg op M. Noël Chomel. Algemeen huishoudelyk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek [...]. Zynde het VIII.(-XVI.) deel van het woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

QUAKERS.

bevestigen, ter zaake van bun tydelyk belang voor den wereldlyken Rechter te verfchynen,, of die hun verongelykt hebben te befchuldigen. ■■ . - Behalven dé opgenoemde byzonderheden huns uitwendigen gedrags, waar in zy zich niet naar de aangenomene gebruiken willen fchikken, hebben zy 'er nog a*ndere, die de zelvde ftrenge, ftyve, en nauwgezette geaartheid-aanduiden. Dus onderfeheiden zy zich, op eane in 't oog loopende wyze, van de rest hunner medeburgeren, door de ernsthaftigheid van hun voorkomen, de boerfche eenvoudigheid hunnerklee• dinge, den gemaakten toon op welken zy fpreeken, de ftyfheid van hun ommegang, en de zuinigheid in hunne maaityden. —— Het wordt, nogthands, door geloofwaardige perfoonen, die ooggetuigen waren van *t geen by deezen aanhang omging, bevestigd, dat de hedendaagfche, en, inzonderheid, de Engelfche Qua* kers, die door den handel ryk, en met de middeien tot weelde voorzien zyn, deeze ftrenge en harde leevens wyze verlaaten hebben, en, van tyd tot tyd, hoe langer hoe meer gefteld worden op het genot van de vermaaken en genietingen deezes leevens. Men wil ook, dat deeze gezelliger Quakers de Godgeleerdheid hunner voorvaderen op zulk eene wyze fchikken en plooijeu, dat dezelve een veel redeiyker voorkomen kryge dan ze hadt in den oirfpronkelyken ftaat. Doch het gaat tevens vast, dat veele der Leden deezes aanhangs, of een verkeerd denkbeeld, of geen begrip in 't geheel hebben van die oude Godgeleerdheid.

Het fchyht, dat de beginzels dee2er gemeenfehap■pealles, watnaarorde, tucht en kerkbeftuur zweemt, uitfluiten. De voornaamfte Leden begonnen, egter, met den tyd te bevroeden,, dat dezelve zonder Wetten en beftuurders niet kon beftaan, maar noodwendig in verwarring en ten val moest geraaken. Zy ftelden, over zulks, een raad van Oudften aan, die twyftelachtige en moeijelyke zaaken bepaalt, en alleszints een nauwlettend toevoorzicht houdt op het gedrag der Broederen, en alles, wat zy als nadeelig voor de Maatfchappye aanzien, afweerr. , De naamen der genen, die in den Huwelykenftaat treeden, worden aan deeze Oudften opgegeeven; zy houden ook boek van de geboorten en fterfgevallen in hunne gemeente voorvallende. ■ Daarenboven hebben- zy zeker gezach over de Spreekers in hunne vergaderingen: want het iswel bekend, dat, op fommige plaatzen, deeze Spreekers hunne redenvoeriagen vertoonen aan de regeerende Oudften, voor dat zy dezelve doen,. ten eindezy mogen oirdeelen, of ze gefchikt zyn dan niet, om in t openbaar uitgefprooken te worden. Want zedert men misbruik maakte van de onbepaalde vryheid, die elk hoofd voor hoofd hadt om in de vergadering te-fpreeken , en eane redenvoering te doen, wanneer de vermeende geest hun bewoog, heeft men nieuwe regels in acht genomen: en deeze vryheid is, op veele plaatzen, merkelyk bepaald om defpotterny, den fmaad en verachting, waar aan deeze gemesnfchap'zich fteeds blootgefteld vondt, door de ongerymde, niet famenhangende, en laffe redenvoeringen van veelen der Leden. 'Er zyn ooK,.in eenige der aanaienlykfte en grootfte vergaderingen, inzonderheid die msn te Londen houdt, vsrfcheiden gerfoonsDa. wier gost het is altoos bereid, te wee3ea

QUAKERS. 5j25

om-voor de vergadering- bet woord te doen, ingevalIe niemant der Broederen of Zusteren zich inwendig bewoogen of gefchikt bevindt- om dat werk ie verrichten. De aanftelling van deeze vaste Spreekers ftrekte voornaamlyk ter weerirge eener onwelvoeglykheid,. welke dikmaals in de Quakers Vergaderingen gezien werdt; te weeten, dat de geheele vergadering fcheide zonder iets gehoord te hebben: dewyl niemant zich opgewekt vondt om te fpreeken. Men merke hier op, dat deeze openbaare redenvoering door de Qiiakers niet gehouden wordt voor een weezenlyk gedeelte van hunnen Godsdienst: want de Broeders en Zusters komen niet t'famen om de woorden van eenen uitwendlgen Leeraar te hooien; maar om met alle aandacht te luisteren naar de ftem van den Godlyken Onderwyzer, die elk met zich in zyn8 eigen boezem omdraagt, of, om my van hunne eigene fpreekwyze te bedienen, om met zich zeiven gemeen*-; fchap te houden. Doch, naardemaal deeze ftille famenkomtten het gelach hunner vyanden gaande maakten, en hun blootfteiden voor de fmaadnaamen van peestdryversen dwaazen, hebben zy vaste Spreekeis' aangefteld, aan welke zy eene kleine wedde geeven, ten einde de ganfche tyd hunner byéénkomfte niet met ftilzwygen voorby loope. — De Quakers hebben, 's jaarlyks, een groote vergadering van den geheelen aanhang, die te Londen de week voor Pinkfteren famenkomt, en beftaat uit afgevaardigden van alle hunne byzondere gemeenten. Zy klaagen niet tegenftaan-j de de vryheid hun vergund, over eenige ftrenge beihandelingen hun aangedaan; doch deeze moeten alleen toegefebreeven worden aan hunne ftyfzinnigy heid, in het weigeren van het betaalen der Tienden,, welke , volgens de wetteh' des lands, gefchikt zyn tot* onderhoudt Van de vastgeftelde Kerke.

By dit bovenftaande ontleend uit de Rerkelyke Gefchiedenis van den Heer Mosheim, zullen.wy nog bat getuigenis voegen, dat de Heer Wehdeboen, in zyn uitmuntend Werk , getyteld : Staat van Regeering Godsdienst, Geleerdheid en Konfien in Groot Brittanje om.' trent het einde van de agttiende eeuw, III. Deel, bl. 298 299-, van de Quakers, geeft. Zie hier. zyn eigenewoorden.

„ Het is eene in der daad'te Betreuren oraftandig* „ heid, dat deeze gezindheid meer af dan toeneemtr „ want in den geheelen omvang derkerkelyke hifto„ rie za! men *er geene aantreffen, by welke de zai.' „ verheid van zeden ,-en de tot welzyn der maatfehap„ py zo noodzaakfyke deugd en oprechtheid, zich „ algeareener, fterker en fchooner vertoont dan „ by deeze. Ware zulk' eene fekte oudtyds by de „ Grieken opgeftaan, zoude men hen, die daar toe„. behcord hadden, onder de voornaamfte wysgeeren „ geteld hebben, ik ben met alle de gewoone voor„ oirdeelen tegen deeze lieden bezet naar Engeland „ overgeftoken. Ik befchouwde hen met al dat me„ delyden, welke zy verdienen zouden, indien- de „ wyze,-waar op zy docr de yverige beh/ders van> „ eene der drie in Duitschland heerfchende gezmden, ,, uit Godvruchtige eenvouwdigheid ,. uitgekreeten „ worden, de waarheid ten grondfiag hadt. Ik ver-

langde alles te zien, wat men, om hen verachte. „ lyk en belagchelyk te dóen fchynen , elkandèrzoekt fi dleis te jjiaaken.' Dan boe groot was niet myne Kfck 3, „ ver»