is toegevoegd aan uw favorieten.

Vervolg op M. Noël Chomel. Algemeen huishoudelyk-, natuur-, zedekundig- en konstwoordenboek [...]. Zynde het VIII.(-XVI.) deel van het woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

574fj QUEELEN.

verwondering, toen ik hen oneindig beteroneïta" dig meer naar den waaren geest des Christendoms " gevormd bevondt, dan die genen, welken hen met " zulke haatelyke kleuren fchetzen. Ik heb geen oog" merk om my tot lofredenaar van deeze fekte op te " werpen; ik heb een' weerzin in veelen der gods" dienftige begrippen, welken men aan dezelve toe-

fchryft; hun voorgeeven wegens de inblaazingen " en aandryvingen des Geestes, the moving ofthe fpi, rit, gelyk zy het noemen, fchynt my een beledi', ging te zyn voor 't gezond verftand, welk zich " voor 't overige zo fterk by hun vertoont; en zy ' hadden het zelve voor lang behooren te verzaaken : ' doch de zeden, de opvoeding, het gedrag en de

denkwyze der Quakers, kortom hun geheel moreel \\ karakter, verdiende overal te worden geëerbiedigt „ en nagevolgt."

OUAOUARA, zie STRUIK-WINDE n. 5-

QUARNSTEEN, zie ROTSTEENEN n. 27.

OUASSIE, zie KWASSIEBOOM.

OÜEE300M, zie KWEEBOOM.

QUEELEN of Kwelen, beteekend zegt de Heer Hüydecoper in zyne Proeve, ïUmmcn. Kiliaan in Etymol. Quelen, miccne/ mwneil/ .Languere, gemere tj'c. De Vertaalers van den.Bybel, Hosea IV. vs. 3. Daeromfal het lant treuren, ende een yegelick, die daarin woont, queelen, met het gedierte des velts, ende met het gevogelte des hemels: daar zy queelen, op den kant, zeer wel verklaaren door quynen , flaauw , ofte aamachtig worden. Nahum I. vs. 4- Bafan ende Carmel queelen: oock queelt de bloemt Libanons. Zie ook Jesaia XXIV. vs. 4 tn 7. XXXUI. vs. 0. en elders. Fa. van Hoogstraten, Beg. Pelg. I. 13- bl- 86".

. hoe ik meer quynesn queV En fluimere , ja fidelere van koude.

D. Heinsius, Ned. Poëm. bl. 129.

——— Ick ben bedroeft, ick queel, Want om by u te fyn fes dagen kan ick wachten, Maar om u niet te flen, twee dagen is te veel.

J. Cats, in den Self ftryf. {Werken I. D. fo. 189. 4)

——— fal myne groene jeugt Geheele dagen lanck gaen quelen tonder vreugt ?

Zie ook fo. 19a. a. 199. a. da Dichter van de Schade-

lykheidt der Gramfchap B. I. vs. 8.9.

Wanneer den ganfehen dag de fwarte wolken dryven, En in het gram tempeest de holle winden kyven, Soo dat de bleeke Son bedekt moet ondergaen, En in den blinden nacht noch maen noch Iterren Itaen, pan is ook 't lichaem fwaer, dan pelen onre geelten.

Jac. Zevecotius, Verachting des Doots B. IV. vs. 621,

Hebt ghy met veel verdriets, myn trootter, myn behoeder, Tien nfaenden in den bnyck gequeeü van uwe moeder l

Colijn van Rysele III. Spel. fol. 40-

Dat Dieric de Hollandere dus gaet al quelertcU^ Ily is bedect, fyn lyden helende.

en weder fol. 54. b.

■ 1 als eene die queelt Werdt by van leden onmachtich ende lam.

Het heeft fomtyds de beteekenis van Klaagen: gelyk

QUEELEN.

BelWêelen', die Van Xeklaagen. .Brederom, .in £«j

celle M. L

Hier door is 't fproocfcje oock van Iö eerst verfiert,

Die ia een witte koe al ftonimeling bequeelde

Uet ongueoorloft werek, dat zy met Jupijn fpeelde.

dus ook Houwaert, Milen. Clachte bl. 39. 65- PeoeA ne van Mechlen bl. 120. Coornhert, Odysfea van Hoi merus B. II. ƒ. 11.

Zijt getroost voetffer, fprac Telemachus, wilt niet meer quelen.

Vertal. van Cicero over de Plichten III. bl. J99- 2°rPh. Numan, Strijt des gemoets 1590. B, II. vs. 1543»

Wat noot eest dat men voor zynen tyt quele ? Wat redene eest dat men treurt voor dat es noot?

Jacop Vilt, Vertal. vanBoëtius MS. B. HL vs. 12. f. 136. a.

Symoen verdoemt die al fyn jaren In een ront wiel moet dceiiic quelen Hadde oec ruste.

Symoen voor lx ion; dien de andere Vertaaler daar ter plaatze noemt Xion fol. 186. c. daar ook in 't latyn ftaat non Xioum caput voor non Ixioniumcaput. H. Dul: laert, Poëzy bl. 139.

Tilaarach! verlaat hy ons, dan zullen lustprieelen, Bezochte fchaduwen, en wandelplaati'en kwelen, Door mondltuk, ihaar en Item ■

Jan de Hemelaer, Dichtkunst, of Wel Dichtenskunst, van Horatius;

Somtyds 1t wel buerd nochtans, dat bly Komedy-fpelen Verheffen haren ftijl, byzonder als komt quelen Een Chremes moeyelijk, en kijft niet vollen mond.

Waer vindtmen, vraagt Is. Burchoorn, in zyn Nieuwe

Werelt vol Gecken bl. 44-

Lepel-makers fonder (telen? Lichte fnollen fonder quelen ? Tamme vogels fonder nest? Stcrcke fteden fonder vest?

Het zingen der vogelen wordt, onder anderen mede dikwiis door Kweelen uitgedrukt. P. Dubbels, Mengelrym bl. 8.

De Tortel, van zyn gaê gefcheiden, queelt van liefde. Jac. Revius, Overysf. Sangen en Dichten bl. 305.

Het was de mey, de coele mey, Wanneer de beestgens inde wey Gacn grafen, en de Nacluegcel Eequelet weer haer oude quael.

doch 't is klaar, dat het ook dan de beteekenis heeft van Klaagen, doorgaands den Vogelen, ook in andere taaien, toegefchreeven. Horatius Epod. II. vs. 26.

Queruntur in fih'is avss.

het welk Vondel eigelyker door Queelen, dan door Tierelieren, gelyk hy doet, zou vertaalt hebben. Want Kweelen en Oueri, zyn beide Klaagen: en vermaagfchapt met fövellen, Kwetfen, Kwaal, enz. Zie den Hr. ten Kate II. Deel bl. 678. 't latynfche Quert mede als een' tak van deezen boom aan te merken, heeft,

dunkt