Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5796

RHU3.

R-HUS.

langwerpig , dikbuikig , met een famengetrokken mond. Men noemt het'er, volgens Clayton, ook Soepkruid.

2. Marylandfche Rhexia. Rhexiamariana. Rhexia, met kanthaairige Biaden. Rhexia Foliis ciliatis. Lyfimachia non pappofa Terra Mariana fjfe. Pluk. Mant. 123. T,

428-ƒ• *• , , , ,

Deeze, in Maryland waargenomen, heeft dergelyke Bloemen en is geheel ftekeiig, de Kelk bezet met Borftels, die aan 't end geitsrnd zyn. Zy valt ook in Brafil.

3. Westindifche Rhtxia. Rhexia acifanthera. Rhexia, met overhoesfe, gefteeld, vyfdeelige Oxelbloemen. Rhexia Flor. alternis Axillaribus pedunculatis &c. Linn. Am. Acad. V p, 396. Acifanthera ereüa Ramofa &c. Brown. Jam. 217. T, 22./. 1.

Deeze Westindifche, door Browne Acifanthera genaamd, heeft houtige roedswyze Stengen, met vierhoekige Takken, en drieribbige eyronde, gekartelde Bladen, tegen over elkander. De Bloemen komen eenzaam voort, gelyk in de andere foorten.

RHINANTHÜS, zie NEUSBLOEM.

RHIZOPHORA, zie WORTELBOOM.

RHODIOLA, zie ROOZENWORTEL.

RHODODENDRON, zie ROOZELAAR.

RHUS ook Sumack genaamd, is de naam van een Planten-Geflacht onder de Klasfe der Pentandria of Vyf-

mannigen gerangfchikt De Kenmerken zyn, dat het

naauwlyks Stylen heeft, maar drie hartvormige kleine Stempels, 't Getal der Bloemblaadjes is vyf, de Keik in vyven verdeeld, en de Vrugt een Belle met eenen Zaadkorrel. ■ ' Daar zyn in't geheel zestien foorten van, waarvan zes tot de Boomen en de overigen tot de Heefters behooren.

1. Europifche Rhus. Rhus coriaria. Sumack, met gevinde , ftompachtig getande, ovaale, van onderen ■wollige Bladen. Rhus Foliis pinnatis obtuftuscule ferratis walibus, fubtus villofis. Linn. Syst Nat. XII. Gen. 366. ï>. 217. Vee. XIII. Gen. 369. P- 242. Rhus Foliis pinnatis ferratis. Hort. Cliff. &c Rhus folio U/mi. G Bauh. Pin. 414. Tournf. Inji. 611. Boerh. Lugdbat. II. p. 129. Dod. Pempt. 779- Rhus Obfoniorum £ƒ Coriario' rum. Park. Theatr. 1450.

Deeze groeit in de zuidelyke deelen van Europa, als ook in Palefiina en Klein Afin. By den arabifchen naam Sumach, dien men in 't italiaansch Somacco, in •t fpaansch Sumaque uitfpreekt, is zy meest bekend,, doch de Duitfchers noemen het Gewas C5ct&cr.&<wm / t>m dat men daar van gebruik maakt tot leertouwing. Jaarlyks worden de Scheuten of Uitloopers, die het in menigte gelyk de Hazelaars uitgeeft, by den grond afgehakt, gedroogd, fyn gemaalen, en dan gebruikt tot bereiding van het Spaansch Leer. Zie daar de reden, dat men het Rhus Coriariorum noemt. Het Zaad wordt in de Oofterfcbe landen in de winkels verkogt en gebruikt tot hartfterking en om de fpyzen een geur te geeven : we=halven het Rhus Obfoniorum heet of Culinarium. De 'verwers maaken ook gebruik van het Zaad: des men het zou kunnen noemen Rhus tin&orium: doch de gewoone naam, in 't engelsch, fransch en hollandsch, is Sumach of Sumack.

't Gewas is doorgaans heefterachtig, eens mans JTangte hoog, maar wordt, in goede gronden, wel

een Boom. De kleine Takjes hebben eene ruuwe Schors, inzonderheid naar boven. De Bladen, als die van de Ypen of Olmen diep getand, groeijen met hun negenen, elven of meer, aan eene rib, die rood» achtig is. De Bloempjes welke wit zyn, naar die van Vlier gelykende, komen by dichte trosfen voort, en daar op volgt een Vrugt als 't Zaad der Linfen , roodachtig met een Huidje, dat zuurachtig is van fmaak, en vervolgens verdroogt; des het eigentlyke Zaad, 't welk men Sumack noemt, veel kleiner is, omtrent als dat der Plompen, en ongelyk van kleur. Dit geheele Gewas, dat den naam zou hebben om dat het tegen de vloeijingen dient, heeft een zeer famentrekkende hoedaanigheid , en is derhalven tegen den rooden of bloedloop en andere te groote ontlastingen, aangepreezen; hoewei fommigen 't inwendig gebruik daar van gevaarlyk achten, 't Gedroogde Zaad is, in dien opzichte, op ver na zogoed niet, zeid Boerhaave, als de vsrfche Befië/i.

2. Virgin'fche Rhus. Rhus typhina. Sumack, met lancetvormige fcherp getande Vinbladen, die van orderen wollig zyn. Rhus Foliis lanceolatis argue ferratis , fubtus tomentofis. Linn. Amoen. Acad. IV. p. 311. Rhus Virfi. C. Bauh. Pin. 517- Oill. Elth. 253.

Deeze foort, in de tuinen gemeen, volgens Lin. Kffius, verfchilt in verfcheidea opzichten van de voorgaande, niet alleen, maar ook van de vierdefoort. De Takken zyn van ruigte en kleur gelyk hei nieuwe Herts-Gewey, waar van de bynaam, hoewel men het gewoonlyk de Virginifche Sumach noemt. Bauhinus, dezelve befchryvende, zegt, dat het een Boompje is, grooter dan de gemeene, hebbende de Bladen fpitfer, groener, zagter en veel grooter, zodat ieder Vinblad wel vyf of zes duimen lang valt. Men telt 'er nooit minder dan tien, maar wel tot by de twiirtig toe, aan éénen Bladfteel. De Aair of ZaadTros is ook veel grooter dan in de gewoone Smack, de afkomst uit Virginiën.

3. Javaarfche Rhus. Rhusjavanica. Sumack, met ovaale i'pits getande Vinbladen , die van onderen wollig zyn. Rhus Foliis pinn. ovat. acumin. ferratis, fultus tomentofis. Linn. Syst. Nat. XII. Veg. XIII.

Deeze, van Osbeck in China waargenomen, Zal Linnbus van Java ontvangen hebben, dewyl by dezelve Javaanfche tyelt.

4. GladbladigeRbus. Rhus glabra. Sumack, met lancetvormige, zaagswys' getande Vinbladen, die wederzyds kaal zyn. Rhus Foliis pinnat ferr. lanceoi. utrinque nudis. Kalm. It. II. p. 211. Rhus Foliis pinnatis ferratis. Gron. Virg. 148. Cold. Nov. 63. Rhus Virg. panicula fparfa &c. Dill. Elth. 3*3. T. 243./. 314. Catesb. Car. III. T. 4. Rhus anguftifolium. C. Bauh. Pfo.414. Sumach anguftifolium. Bauh. Prodr, 158. Burs. XXII. 77.

De Smalbladige Sumach van Bauhikus , in Brafil groeijende, en door de fmalblaadigheid byna alleen van de gewoone verfchiliende, wordt hier t'huis gebracht. De Virginifche van dien aart heeft de Aair zo dicht niet, als de Europifche. De Heer Kalm vondt deeze foort zeer algemeen in Penfylvaniën, groeijende aldaar in de heggen, aan de kanten der bouwlanden en op braak leggende akkers, van zelv' zeer fterk: want de Vogels, die de Besfen gaarn eetsn, ver-

ftrooi'

Sluiten