Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WILGENBOOM.

fènrandige lancetvormige Bladen, die van onderen ruig en glanzig zyn , en eyronde gefpitfte Stoppeltjes. Salix Foliis integerrimis lanceolatis, fubtus villofis nitidis; Stipulis ovatis acutis. Linn. Fl. Suec. 807; 895. Salix Foliis ovato-lanceolatis integerrimis, Ramis decumbentibus. Roy. Lugdb. 84. Dalib. Paris. 299. Salix Foliis inte. gris ovatis Rc. Guett. Stamp. 416. Salix pumila, Foliis ellipticis integerrimis. Hall. Helv. 153.

Deeze, in harde grond op laage velden van Europa groeijende, was gemeen in Sweeden, alwaar derzelver verfchii van de voorgaande foort door Linnjeus opgemerkt is, daar in te beftaan, dat de Bladen langwerpiger zyn, van boven glad, van onderen glanzig als zyde, en dat Zy de Takken witachtig groen heefr. Zy rechten zich niet op en maaken dus een leggend Gewas uit, 't welk Hal-lek, naauwlyks een voet hoog, by Bern hadt waargenomen, hebbende geelachtige Rysjes en roöde Bloem-Aairtjes,

25. Kruipende Wilg. Salix repens. Wilg, met effenrandige lancetvormige, wederzyds omtrent kaale Bladen, de Steng kruipende. Salix Foliis integerrimis lanceolatis, utrinque fubpilofts, Caule repentc. Linn. Fl. Suec. 814, 896. Salix Alpina pumila repens inferne fubcinerea. C. Bauh. Pin. 474. R*J- Angl. III. T. 448. Salix pumila latifolia. Clus. Hist. I. p. 85. Pann. 102.

Deeze, die ook in andere deelen van Europa waargenomen is, komt tusfchen de bergen in Sweeden, op vogtige plaatzen, voor. In kleinte tart zy de KruidWilg, hier Voor befchreeven, als hebbende de Steng dikwils maar een duimbreed lang, doch een vinger dik, met roodachtige Takjes, die witte haairtjes hebben, als Rysjes langs den gronduitgeftrekt. DeBlaadjes zyn langwerpig eyrond, gefteeld, wederzyds glad, van onderen zeegroen, zonder Stoppeltjes en de Katjes komen zydelings voort.. De Oostenrykfche kleine Berg-Wilg van Clusius, hier aangehaald, hadt leg gende Rysjes van een voet lang en een -vinger dik, met dunne Takjes zich tusfchen het gras verheffende en blaadjes van byna een duim lang, van boven glan-

7.ir* crrnpn vnn nnrïfirfln ppnitrpt-masifp orxic £,n Aa

Takjes groeiden zagte Aairtjes, uitgeevende een witte wolligheid.

26. Bruine Wilg. Salix fusca. Wilg, met effenrandige, eyronde Bladen, die van onderen gehaaird zyn. Salix Foliis -integerrimis ovatis, fubtus pubescens. Salix Foliis integerrimis ovatis fubtus villofis nitidis. Linn. Fl. Lapp. 364. T.8.f.R. Fl. Suec. 803; 897. Roy. Lugdb. 84. Jacq. Vindob. 297. Salix pumila Folio utrinque gla* bro. J. Bauh. Hist. I. p. 217. Salix pumila brevi angujloque Folio incano, Comm. Holl. 102. Gort. Belg. 279. Mees. Frif. N. 403.

Van deeze, die ook een zeer laag Heeftertje is, dat dikwils kruipt, heeft Linn/eus, gelyk van alle de andere Laplandfche Wilgen, de Bladen, op eene byzondere Plaat, tot vergelyking, 't welk zeer fraai en nuttig is, afgebeeld. Thands egter merkt zyn Ed. san, dat deeze met de kruipende, leggende en breede Duin-Wilg, veel overéénkomst heeft. Zekerlyk loopen deeze vier grootelyks in één, en zyn niet gemakkelyk te onderfcheiden: waar door men van byzondere plaatzen wederom andere foorten krygt. Niet tegenftaande de Blaadjes van deeze, in Lapland, van onderen eenigzints gehaaird waren, oirdeelt Dillemus, dat de Naantjes-Wilg, met wederzyds gladde

WILGENBOOM.

Bladen, van Bauhinus, hier t' huis behoorfr. Deeze fchynt het te zyn, die onder de Duin-Wilgen vaa ons land door den vermaarden Commelyn, is opgetekend. Mooglyk is die, welke Meese in de Wou. den van Friesland, op heyvelden en veenachtige plaatzen, veel waarnam, hoewel door hem tot de neeen. tiende betrokken, ook deeze foort. Immers de Lee. groene, de Laplandfche en deeze Iaatfte, fchynen weinig te verfchillen. Linnjeus merkt aan, dat zy de Knoppen éénkleppig, in tweeën gedeeld en de Katjes ongeb/aderd heeft. De bruinheid der Bladen van boven geeft *er den bynaam aan.

27. Smalbladige Duin-Wilg. Salix Rosmarinifolia. Wilg: met effenrandige fmal lancetvormige, uitgeftrekte, ongefteelde, van onderen wollige Bladen. Salix Fahts integerrimis lanceolato-Unearibus, flrittis, fesftlibus, Jubtus tomentofis. Roy. Lugdb. 84. N. 13. Flor. Suec. II. N. 898. Salix humilis anguftifolia. C. Bauh. Pin. 474.' Salix hum-lis repens anguftif olia. Lob. Ic. II. p. 137. J. Bauh. Hist. I. p. 214. Gort. Belg. 280. Mees. Frif. N. 404. Salix pumila anguflifolia prima. Clus. Pann. p. 102. T. 103. r Deeie is door de fmalheid der Bladen gemakkelyk te onderfcheiden. Men vindt daar van een fraaije af. beelding by Lobel, die deeze Smalbladige Laage Wilg by Antwerpen op de Heide, met kruipende Steeltjes van een palm of anderhalf lang, Bladen als van het Motiekruid en Bloemkaijes als der gewoone Wilgen, groeijende vondt, zynde het Loof bitter van fmaak. Onder de Oostenrykfen heeft Clusius ook twee fmal-

.ö„,., „ „u. ,au us lcltUUO uiuogjyK aoor LOMME»

lyn bedoeld zal zyn, met zyne Laage Wils, die korte fmal e gryze Blaadjes heeft, zynde de eerfte van gedachten Autheur buiten twyffel deeze: want die zegt er van: dat dezelve Rysjes van een voet of kor. ter heeft, die geelachtig zyn, met Blaadjes van een duim, ais die van 't Vlaschkruid, van boven groen, van onderen aschgraauw en nog jong zynde geheel grys. Dezelve groeit in vogtige hakbosfchen beneden Frankfort aan de Mayn, volgens I. Bauhinus. Een dergelyke fchynt in Switzerland in de beeken te groe.jen volgens Haller, die gewag maakt van een Wilg met fmalle, zeer lange, van onderen witachtige Bladen, welke de Wilg met het allerlangJle Blad, van Ray, zou zyn, en dezelve dus befchryft.

a DerTakken zvn ^ng» recht, broosch; de Bla. „ den fomtyds genoegzaam eyrond en ovaalachtig, „ doorgaans egter langwerpig, van drie duim en daar „ boven; fmal, met evenwydige Ribben, die een „ fcherpen hoek met de middel-Rib maaken, van on„ deren beftendig wollig en wit, van boven nu eens „ ruig dan glad; de Katjes tusfchen de B'aden onge„ fteeld, niet uitpuilende, rolrond: de Zaadhuisjes, „ als zy jong zyn, met eene witte wolligheid be-

In de holte der beeken was deeze Iaager, zegt die Kruidkenner: waarfchynlyk dan daar buiten. Ik vindt ze ook aangetekend onder Planten van óenElfaz, door Doktor Mafpus, die zegt, dat men ze aldaar ©trilSBqrtcn of (gitrfm noemt. Dat dezelve Katten eer dan Bladen voortbrengt en wel het Mannetje overvloedig, fomtyds twee duimen , fomtyds maar één duim lang, bleekgeel en van een ongemeen aangenaamen reuk: des hy ze by de Perfifche of Egyptifche

Mos.

Sluiten