Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

178 DE TOETS DER GEHOORZAAMHEID.

re hand vattende, welke hy kufcht.) en de bekoorly-

ke Charlotte, altoos nog even bevallig? even

zedig ? (tegen Erneftus met levendigheid.)

Waarlyk oude vriend! ik ben haaft Jaloers.

ernestus.

Hoe dat? Heer Goedhart!

goedhart.

Wel, om dat je zulk eene aanminnige Pupil onder je bellier hebt. Zy wordt van dag tot dag

aartiger en fchooner; hare innemende zeden,

betoveren my. (met eene openhartigheid) Zie daar lieve Erneftus! — wil je ze my afftaan, gy weet dat ik noch Vrouw noch Kinderen heb, en niemant behoef te ontzien. Ik zal my in 't vervolg met de z©rg voor haar welzyn belaften, en vertrouw my vry, zy zal 'er niet te flimmer by flaan en zo- ik nog wat jonger was , goede vriend, ik ging 'er waarlyk eens op af, — ik waagde 'er een blaauwtje aan, doch nu is het een lekker brokje, voor zekere jonge Heeien: (Karei, al glimlagchende, op den fchouder Hoppende.) He! wat zegje 'er van, jonker Karei?

karel, (zyne verlegentheid'trachtende te verbergen.) Gy zoekt Hechts met my te fchertzen, Myn Heer Goedhart!

goed h art.

Kom! kom! wat is dat voor droge taal?

hoe zie je 'er weêr zo droefgeeftig uit? —• wees

levendig, vrolyk; op myn woord, je ziet 'er zo

ernftiguit, zo flemmig, als de afgetrokkenfte Philofboph;—. zal dat den gantfchen dagzoduuren? —

ik

Sluiten