Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20 DE GOUDEN BRUILOFT.

zag hij mij; en toen niesde hij ; en toen viel hij oVër zijn eigen beenen de trap af.

T EEU WIS.

Entoen zag ik

KEELTJE.

Geloof toch niet, moeder, dat hij veel zien kon; want hij yreef zich de vaak,ers-de ftof van het meel nog uit de oogen, die hem een vinger dik op zijn gezigt lag.

ELSJE.

Houd uw mond, Neeltje; laat hem uitfpreeken!

TEEUWIS.

En toen zag ik jammer was het dat gij 'er

niet bij waart!— Een paar zuivere Vogeltjens......

NEELTJE.

Ha! ha! ha! even of hij van zijn leven geen Vogels gezien had? Jammer, dat het geen paar Raaven waren, die hem de oogen konden uitpikken.

TEEUWIS.

Nu, daar hoort gij het reeds! Zeker hadden zij beide wel gewenfcht, dat ik niet had kunnen zien: maar 'er was ook genoeg te hooren.

NEELTJE.

Wat al gehoor en ge/:ie !. Zeg mij toch, mijn lieve Moeder! hoe gij die kaerel nog kunt aanhooren?

ELSJE.

Nu, Snaverfnel! Moet gij uwen aanftaandenBruigom, kaerel noemen ? Om u te plaagen wil ik Teeuwis

aanhooren, en weeten wat 'er gefchied is, en

(Neel-

Sluiten