is toegevoegd aan uw favorieten.

Mengelingen van natuur en kunst. Aan de minnende jeugd van beiderleije kunne opgedraagen, bij den aanvang van 1799

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O Sa )

Zy zegt liet, en zagtjes fluipt zy tiaar haarè> hut 5 aan de andere zyde van een fteilen heuvel

gelegen.

Niet lang, of Cioë daalt niet eenig verkoelend ooft in haaien -fchoot en een aarden vat met vcrfclicn melk, zo lhel zy kan, van de hoogte neder, -terwyl haaf tuurend oog geftadig op het plekje Haart, waar zy haar herder meent te zullen aantreffen, — „Ja, ik zal hem verrasfehen" — dus (preekt zy by zich zelveji — „6! hoe verbaasd zal Damon zyn" — vervolgt zy — Jt wanneer hy by zyn ontwaaken dit ooft, het welk ik met eigen hand geplukt heb, en dezen melk aan zyne zyde vindt, Ach l moge hy dan vermoeden, wanneer hy zynen dorst daar mede genoegelyk lescht en zich verkwikt, dat Cloë dit... en ach 1... mogt hy my dan beminnen,.

Dit zegt zy; dan daar zy met deze gedsgten zich geftadig voortfpoedt, verwart haar klein betoverend voetje in een braambeziënftruik; zy ftruikelt, valt, en ploifeling ligt het aarden vat

ver-