Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pag. 27

TWEEDE HOOFDDEEL.

OVER DEN

Oor [pronk, Aanwas en den tegenwoordigen ftaat der Artfenykunde.

§• %

Men zoude zich bedriegen, wanneer wy ons inbeelden wilden, dat de Artfenykunde in haar begin, even dezelve volkomendheid gehad zoude hebben, gelyk men die tegenwoordig vind. Neen in 't geheel niet, dit is tegen den zetregel, welken men by de oorfpronk en voortgang van alle Weetenfchappen waargenomen heeft. Dus zullen 'er in dén beginne, maar zeer weinige. Artfenykundige Waarheden geweeft zyn, die allengskens aangewafien, en eindelyk tot die volkomen Graad geraakt zyn, waarin wy die tegenwoordig vinden. Het zal dan zo wel nuttig als aangenaam zyn, dat wy de Leerlingen van den Toeftand der Artfenykunde, van de oudlte tyden af tot heden toe, zo wel, hoe die by de Volkeren Gods, alsby andere Natiën geweeft en groot geworden is, een klein Hiftorifch berigt mededeelen.

§• 37-

De eerfte Menfchen vóór de Sondvloed, bereikten gemeenlyk een hooien Ouderdom, hetwelke onder Andere natuurlyke oorzaaken (2), aan haar fobere en matige levenswyze toe te fchr'yven is, alzo hunne voedzel maar in Kruiden, Wortelen, Veld en Tuinvrugteri beftond, welke dingen niet bekwaam waren, het Bloet te veel op te hoopen; gevolglyk waren zy ook niet vermogend, de kragt der vaften deelen te veel te verzwakken, of het evenwigt, hetwelk tusfchen de vafte en vloeibaare deelen is, te verbannen. De Natuur was byhun, onder zich zelfs, eens, en dus waren de éérfte Inwooneren der Aarde, genoegzaam van alle de Inwendige Ziektens bevryd, waarmede het Menfchelyke GeHagt, in 't vervolg van tyd, aangetaft is geworden (3).

§• 38.

Dit eenvoudige en ordentlyké leven, konde hun doch niet voor de kwaade gefteldheden der Lugt, noch vóór de verdrietige Toevallen des levens bevryden,

om

C2) Sch midts 58it>t. S^ifjor. p. 21*.

(3) GArengeot. 1. c. in zyn Splancbnologia p.ifoi.

D 2

Sluiten