Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOFGEDACHTEN. 29

Terwijl ky focht de fchoone maeght, Van alle vrijfters noch beklaeghc.

De jonghman , die ontrent haer ftont, En ha«r aldus begrommeit vont', Ging heuen » roet een fnelle vlsicht, En pluckte daer een fnisre vrucht, Die wrangh, onnjp, en vinnigh was,] Daer meed' hy hare feyl genas: Want mits hy aen haer wangen ftr-;eck9 Vernam men dat de froette «yeeck: Een ieder keurt de Vrijlfer ?shoon , Des komt de meefter om fijn loon; En, fet de vrijïter in het groen, En eyfcht van haer e?n 'iecfchen foea,

Ey fiet, terwijl de jonckheyt* lacht, Stont ick hier over wat en dacht, En feyde, met een ftillen fin, Gewis hier fteken kruymen in : Al wat de foete vrucht befmet, Dat maeckt de fuure weder net. Voorwaer , verdriet en tegenfpoet, Dat is de menfchen dickmaels goet; En fchoon dat ons de qnade lijdt Vry dapper in de finnen fflift , Sy klaert en fuyvert ons gemoet, Van malle vreught, en dertel bloet. Maer wat tot lnft en weelde ftreckt, Maeckt dat de ziele fich bevleckt. Geit, rijckdom, voorfpoet, minnefpel , Dat beeft dun Vorft van Ifraël,

B 3 VrT

Sluiten