Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'AAN DEN LEEZER.

v

hem andermaal de harpoen in V lyf geworpen. Daarop gaat de Walvisch ten tweeden maal naar den grond ,^of onder V ys. Sterft by in ruime zee , men ontdekt zulks aan bet kenteren $ met den buik om boog; en dan wordt by aan de zyde van 't fcbip vastgemaakt, liggende den eer fen dag, doordien hy m.t den geopenden bek zeer veel water ingenomen heeft, van boven byna gelyk met de oppervlakte der zee; maar den volgenden dag is hy reeds zes of zeven voeten gereezen. Blyft by, ten tweeden maale gekwetst zynde met den harpoen, in bet leven, en komt hy weder onder het bereik der Visfchers, dan floot men hem met de Stootyzers of Lenfen zo lang , tot dat hy bloed uit de Neusgaten Jpuwt. En nadat hy dan lang genoeg met zyn fiaart en vinnen gewoeld, om zich geflagen, zich zeiven afgemat beeft, en eindelyk bezweeken is, wordt by naar het fcbip getrokken, zyn vet of fpek afgefneeden, en in de Quarteelen gedaan. Uit dit fpek wordt /' buis de Traan gekookt. De Baarden neemt men ook uit den Fiscb , maar het overige dient tot aas voor de Vogelen enz. De beste Traan wordt gebezigd tot bit maaken van groene Zeep, en de bruine Tr,aan is dienftig voor Leertouwers en Scheepstimmerlieden. De Baarden , febcon gemaakt, van elkander gekloofd en aan riemen gefneeden, dienen in de Ryglyven en ander gewaad.

7.eer menigvuldig zyn ook op de kusten van Groenland en Spitsbergen de Beeren: deeze weeten, al zwemmende en over de ysvelden trekkende, zeer behendig hun aas op te fpooren, V welk in jonge Walvisfchen, Robben, Walrusfen, en allerlei anderen Viscb heflaat; ook aazen ze op de krengen, daar de Walvischvangers het fpek afgefneeden hehbsn. Zela'm zoekt men de witte Beeren op, uit oorzaak van het groot gevaar. Die bier op uitgaan moeten ten minflen vier of vyf flerk zyn, om elkander en by te fpringen, wanneer dè eerfte bet ongeluk beeft van mis te fchieten ; ook moeten de Snaphaanen met een paar kogels zyn gelaaden. Wanneer 't den Jaager gelukt het dier by de ooren of in de borst te raaken, valt het dood ter neder: doch dit niet treffende fnclt de Beer met verwoedheid op de J'aagers los, die dan met hunne tweede en derde feboten moeten klaar zyn, of hein op de bajonet en houwers af wagten. *——- Ook gebeurt het wel dat een witte Beer, een foep der Walvischvangers ontmoetende, de voorpooten flaat op hit boord van de floep; doch onze afgeregte Matroozen zyn 'er dan fcbielyk by, en kappen hem met een

byl de poot en af. Op Tsland wordt men vreeslyk van hun gekweld,

dewyl zy daar zomtyds in menigte met een Noordwesten wind aanlanden, en alles wat hun voorkomt verfebeuren. Met een wonderlyk vernuft zyn zy begaafd , om op dezelfde wyze , op welke zy naar 't eiland gevoerd zyn , naar hun Vaderland weder te keer en; diep landwaatt in geraakt, klimmen zy dikwyls op een hoogen berg om naar bet ys te zien : bemerken zy dat bet van

* 3 den

Sluiten