Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de regelen der dichtkunde. ii

ken. Weshalven ik geen gering gedeelte van deeze verhandeling zal hefteden , om de oorzaak van de meerdere bekwaamheid van deeze twee Dichteren en anderen, welke hun gevolgd zyn, aan te toonen; alhoewel het hoofdoog^ merk zyn zal te voldoen aan de les van Horatius(d).

Munus et'officium, nil fcribens ipfe, docebo, Unde parentur opes, quid alat formetque poctam.

bbdnurno . v,:.; na ,t&:f:-osisbnp tbiuov3gni 3'bsri b$ volgens de vertaaling van Huydecoper.

Ik zelfs, niets fchryvende, zal andren leeren net

En klaar te fchryven, waar men voorraad haal' van zaaken,

Wat eenen Dichter kweeke en eindlyk kan volmaaken.

.nobtesdvlnob on/>; n«v ii'jüuïhoo-" gbrbfiiablirio'l 2orf <-&i$iï Hier toe verbeelde ik my een algemeene leering te kunnen voorftellen, waar door wy niet alleen, zonder eene nadere bepaaling, de kenmerken der noodzaakelyke en onnoodzaakelyke regelen in de dichtkunft zullen leeren kennen, maar waar door wy ook, het welk nog verder ftrekt, dat waare fraaije en verhevene in de dichtkunde ons zullen kunnen eigen maaken , dat voor geene regelen vatbaar is. Want beide deeze zaaken, welke onaffcheidelyk van elkander zyn, moeten, wel voorgedraagen zynde, naar onze gedachten gewislyk deeze nuttige vraag volkomen beflisfchen ; zo dat wanneer wy aan deeze voorftelling voldoen, wy ook meenen aan het oogmerk van de Ed. Heeren Leden van dit loffelyk Genootfchap in het opgeeven van deeze vraag vol-rb.Q 'JÜfxmaumïiïi vA> nybbitd'ioov afiivbbiui) m jjhpbrii

O) De art. Poet. vs. 306. 307/" 'Jh'JÏ 0913S$Si *ïo lUTjim j OfiV

B 1

Sluiten