Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

l8 antwoord op de vraag over

onbetwiftbaar bewys, dat hy niet bezit, 't geen Cicero (a) van Caesar getuigd, dat hy ooren had, welke gefchikt en geoefend waren, om de dichterlyke taal te voelen, en die van 't profa te onderfcheiden. En evenwel wil men al dit onverftaanbaare , dit laage, vergelyken met dat verhevene, dat goddelyke van Virgilius (7>>

At regina gravi jam dudum faucia cura Volnus alit venis, et caeco carpitur igni. Multa viri virtus animo, midtusque recurfat Gentis honos. Haerent infixi peclore vultus, Verbaque: nee placidam membris dat cura quietem.

Ieder een die hier geen grooter onderfcheid ontdekt, dan tusfehen de ftukken van een' kladfchilder of meefter in de kunft, raade ik nimmer over dichtkunde te fchryven ofte oordeelen (0- En dit is het geen dat my het meeft in de theoretifche fchryvers mishaagd, en my minder waarde doet ftellen in hunne ingewikkelde bepaalingen, dat wanneer zy zich van voorbeelden zullen bedienen, hunne keuze meenigmaal ongelukkig, en hun fmaak myns oordeels geheel en

al

(V) Ep. Fatn. libr. 9. ep. 10*. quod tritas aures haberet notandis generibus poëtarum.

**$ d'a'L^bert"ïrgdykt ook elders (Melang. de Litterature. tom. v- P^- f 5-) de vaerzen van Ruaeus by die van Virgihus, daar de zelve niet eens met die van Status kunnen worden gelyk gerteld; alhoewel deeze groote Wysgeer minder te^beschuldigen is dan CüR««r, zo heeft echter de kundige g. Jon>s 1» :fg™^ voor zyne Aüaufche Poëzy, hieruit niet zonder reden afgeleid, dal D Alemberti fmaak in de Latynfche dichtkunde niet zeer zuiver was.

Sluiten