Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"WIER DER ZÜIDER-ZEE. 349

dit kleine Zaadje eigen fchoonheden: men kan het fierlijk overfijne grondwerk niet zonder verwondering befchouwen. Het Bandje of de Steel, welken men aan zommige Zaadjes vindt, is geboogen; aart anderen ontbreekt het, zijnde in de fcheede gebleeven, of van het Zaadje los gegaan. In Fig. 2. bij d. ziet men het Zaadje in de opengefpleeten Bolfter, en in b verneemt men van dezelve nog eenige overblijfzelen.

Dit Zaad, in Augustus rijp zijnde, ftrekt tot een gewoon voedfel van Eendvogelen, Pijlftaarten , en anderen , die op versch water afkomen , en naar de Vogelkooien gaan , welken, van dit Zaad eetende, wel dra vet worden, Behalven deezen heeft het Zaad nog andere Vijanden. Eenige Infetlen , vlug en levendig van aart, komen 'er ook op af, doorbooren de fcheeden, en gaan dan op het inwendige meelagtige deel te gast. Deeze Diertjes dragen, bij linn^eus , den naam van Oniscus entomon, bij kleijn Entomon piramidale, en worden door Dr. baster in het 11. Deel der Natuurkundige Uitfpanningen, bl. 158. befchreeven.

Losfchieten yan het Wier.

Wanneer de Wierplant Zaad gegeeven, voor de voortplanting van haar Geflagt rijkelijk

ge-

Sluiten