Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kaar den NOORDER-OCEAAN. 24S

onder die van gemeene grootte gevonden worden,! heeft men geene reden om te vermoeden, ^dat ze van eene andere foort zijn. Daar nu alle deze over groote patrijzen bekend ftaan voor hanen, is het meer dan waarfchijnlijk'dat zij onvolkomen wezens zijn, en groot en vet worden gelijk onze kapoenen: ook al wie gelegenheid heeft gehad van deze groote patrijzen te proeven, zal gewisfelijk toeftaan, dat zij de gemeene foort zoo zeer overtreffen in fmaak als in grootte. Men heeft in deze vogels, even als in de rots-patrijzen, opgemerkt, dat zij voorzien zijn van een bijgevoegd gewaad, zoo als men 't noemen mag; want elke veder, van de grootfte tot de kleenfte,B uitgezonderd dc fchaft en ftaartvederen, zijn alle dubbel. De benedenveder is zacht cn donzig, uitfpruitende van de fchaft naar boven, en wonderbaar gcfchikt voor hunnen ftaat, dewijl zij niet alleen de koudfte winters tattcn, maar de foort, van welke ik hier fpreek, begraaft zich altoos onder de fneeuw tegen den nacht, en komt tegen dat het dag wordt Weder te voorfchijn, om voedzel te zoeken, "s Winters vind men ze gemeenlijk aan de oeveis der rivieren en der kreken, aan de kanten van meiren en poelen, en op de vlaktens, welke overvloed hebben van dwergwilgen; want in den winter leven ze altoos van de botten en toppen dier boomen. Des zomers eten zij besfen en klein kruid. Hun voedzel, in den winter zoo droog en wrang zijnde, maa-.t het voor ben noodzakelijk een groote hoeveelheid grmd te verzwelgen, om verduwing te bevorderen ; maaide groote diepte der fneeuw maakt dit gruis zeer fchaars voor hen in dat jaargetijde. De Indianen daarop gepeinst hebbende, dagten de wijze uit, thans QS hl>

Sluiten