is toegevoegd aan je favorieten.

Reize door Syrie en Egypte, in de jaaren 1783, 1784 en 1785.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tiende Hoofdfluk. 325

de Arabieren in zwang geraakt is; zij gebruiken ook dien van Barr-el-tour- Sina , die land van den berg Sinaï betekent.

Die woestijn, die Syrië naar het Zuiden bepaalt, ftrekt zig in de gedaante van een fehier- eiland uit, tusfchen de twee golven van de Roode Zee , die van Suez namelijk ten Westen en die van el-Akabé ten Oosten. Haare gemeene breedte is van dertig mijlen op zeventig mijlen lengte; die groote ruimte is bijna geheel bezet met dorre bergeji, die zig, naar het Noorden, met die van Syrië vercenigen en, gelijk deeze, van kalkachtigen rotsfleen zijn; maar meer naar het Zuiden worden zij granietfteenachtig, zoodanig dat de Sinaï en de Hor eb niet anders dan hooge pieken van dien fteen zijn. Daarom noemden de Ouden dat land fteenachtig Arabie. De aarde beftaat 'er over het algemeen uit een dor grof zand ; daar groeit niets dan doornachtige acacias, tamarifchen, dennenboomen en enige dun gezaaide kromme en gebogen heesters. De bronnen ziïn 'er zeer zeldzaam en de weinige, die 'er zijn, zijn dan van zwavelachtig en-warm mineraal water, gelijk te Hammdm- Fardoun, dan brak en walglijk, gelijk te El-naba over Suez: deeze ziltige eigenfchap heerscht in geheel het land en daar zijn zout-mijnen in hetNoordlijk gedeelte. In enige valeien egter, daar de grond zagter is, omdat hij beftaat uit hetgeen van de rotfen af koomt, wordt dezelve na den X 3 w*n~