Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14 ACCEXERATIO—ACCENDO

Dij zonder eene zaak naderen, om die op zich te nemen, die aan te vatten, bij roorb. adcedere ad rempublicam tot den Staat (of de Staatsbezigheden) toetreden, d. i. den Staat beginnen te dienen, of door het op zich hemen van het eer/té Eer - ambt, of door het aanvaarden van üe Veldheers-plaats, Cic. Rofc. Am. I extr. Or. I, 9. Verr. I, 12. Nep. Cprti

I. Dus ook adcedere ad caufam een proces aanvaarden, Cic. Verr. II, 38 extr.: ad vectigalia i. e. de pacht der Roni. inkomften aanvaarden, Cic. Verr. III, 38 in.: it. ad conditiones, i. e. aanvaarden, zich laten welgevallen, Cic. Verr. III, 28 med. 4) toetreden, van de partij zijn, bij voorb. civitatcs, quae fibi — adceficrant, Suet.. Galb. 12: conatibus Galbac, Suet. Oth. 4: van daar, toetreden, toeflemmcu, bij roorb. Ciceroni, Quint. IX, 4 in.: cu ad aliquid, bij ■toorb. ad hoe confilium, Nep. Milt. 3. 5) Animus mihi adcedit ik vat moed, bij' voorb. Caffio animus adcelïït, Cic. Att. V, 20: civibus animum adcefiurum, Nep. Milt. 4: zo hel niet is, wasfen, toenemen, zie 11. 2. 6) Men merke nog aan: Hoe adcedit, of enkel adcedit. Hier bij komt nog, waar op quod of ut, dat, volgt: beide is vedvuhhg, bij voorb. adcedit, quod eet., Cic. Harufp. 3 extr. Adcedit, ut eet., bij voorb. Cic. Or.

II, 48 in. Adcedtbat, ut eet.: Eo adcedebat, ut, Liv. I, 49 in.: Adccflitut eet., Caef. B. G. III, 13 extr. Not. adeeftis voor adcciTiltis, Virg. Aen. I, 102.

ACCELERATIO (Adcel.), onis, f. 1)

Haast , haafligheid, J'chiehj kheid, bij voorb. oratiohis, Auct. ad Her. lil, 13. 2) het haajlen, de fpoed.

ACCELËRO of beter ADCELËRO, avi, atum, are, ï) rerhaajlen, J'poeden, bij voorb. iter, Caef. B. C. II, 39= mortem, Lucret. VI, 772: confulatum alicui, Tacit. Ann. III, 75: oppugnationem , Ibid. XII. 46. 2) haajlen, of j'poeden, fnèl toe lopen, bij voorb. fi adcelerare volent, Cic. Catil. II, 4, els' zij zich haal/en, fpocden willen: adcelerat Aeneas," Virg. Aen. V, C75 : conlülem adcclerafi'e, Liv. XXVII, 47 poft med., i. c. zich gehaast of gefpocd heeft: van daar adceleratur men haast, men fpoed zich enz., ra;i daar et, quantum adcelerari pofiet, Liv. III, 46 med., i. c. zoo veel men zich haajlen kon.

ACCENDO, of heter ADCENDO, dj, fum, 3. doen branden, lichten, of gloeit;:. Van daar 1) doen branden, aanfleken, of outfleken, in brand zetten, zoo wel ignem, lumen &c., . als lignum , thus eet., bij voorb. ignem, Virg. Aen. V, 4: faccs, Cic. Pif. 2 extr.: lucernam, Phaedr. III, ig, 4= deus ipfe folem quafi lumen adcendit, Cic. Univ. 9: tacdas, Ovid. Faft. IV, 411 : thus, Liv. XXIX, 14 extr. 2) aanjleken, d. i. doen gloejen, ergens vuur in doen, met vuur vullen, zoo als wij bij voorb. zeggen , een pijp tabak opjlcken, bij voorb. adcendere foculum, Liv. II, 12, of focura, Ovid. Faft. I, 76, i. c. het komfooir met gloejende hooien vullen, gevolglijk doen gloejen: aras, Ovid. Met. III, 691. Vuur op den altaar aanleggen, eigenlijk hem doen branden; dus ook aurum, Plin. II. N. XXXIII, 3, van goud,gloejeiid. maaken. Dus ook adcenfo ahcT10 , Senec. Med. 666: adeenfis imdis, bil. V, 605, i. e. heet, koekend: ferïum adcenium igni , Plin. H. N. XXXiV, 15' 3) maaken, dat iet licht; iet doen

ACCENSEO —• ACCENTIUNCULA'

lichten , of heller maaken, verlichten , bij voorb. fol adcendit Olympum, Sil. III, 672 : Et gemmis galeam, clypeumque adcenderat auro, Sil. XV, 681, i.e. maakte, dat het er van glinjlerde enz., maakte het glad enz.: fol diem adcendit, Claudian. de conf. Mali. Theod. 78. Van daar 4) aanjleken, of acnyuitren , in brand zetten, doen ontbranden, Tropisch, d. i. opfpooren, in beweging brengen, ontvlammen , opruiden, gaande maaken enz., bij voorb. aliquem contra aliquem, Salluft. Jug. 64: ook met ad of in aliquid, tij voorb. ad dominatiohem, Salluft. Jug. 31: ad tibidinem & contuöiêliafn, Liv. VIII, 28 : in rabiem, Liv. XXIX, 9 med.: bok met den Dativus , bij voorb. Virg. Aen. VII, 482 bello adcendit animos: dus ook adcendere iram, Curt. VII, 6: feditionem, Liv. XXII, 14 in., i. e. opwekken: fpem, Liv. XXI, 4: invidiatn, Liv. II, 23: discordiam, Ibid. 29: certamen, Liv. XXXV, 10: febrem, Celf. VI, 9: virtutem, Virg. Aen. X, 368: rem daar adcenfus ontvlamd, heet enz., bij voorb. Inj'una, Liv. III, 9: odio, Ib. 32: cum eo magis vis venti adcenfa efiet, Liv. XXI, 58. Dus ook curam ingentem Patribus, Liv. XXVIII, 46, i. c. opwekken, veroorzaken: doch het kan ook zijn, vermeerdereu: Verders fi haec adcendi —« arte poffint, Cic. Or. 1, 25 in. Doch, het zou ook kunnen zijn, vergrooleu. 5) met vuur en drift aanvangen, beginnen, adcendere proelium, Liv. XXX, 11 in. 6) vermeerderen, grooter maaken, bij voorb. vitia, Ovid. Remed. 133: fitiin, Celf. III, 6: curam ingentem Patribus , Liv, XXVIII ,46: fi haec adcendi — poflint, Cic. Or. I/25 in. indien het niet is, opwekken, verwekken: pretium den prijs, Senec. Beuef. VII, 9 : dus ook pretia, Plin. H. N, XVIII, 25 : conf. Incendo en ExeaWdefaelo. ACCENSEO of beter ADCENSEO, fui,. fituni en fum, 2. bij tellen, of rekenen, bij voorb. Adcenfi, qui his adeenl'ebantur, id eft, attribuebantur, Non. c. 12 ri. 1. Particip. Adcenfus, a, um, bij geleld, bij gerekend, bij gevoegd, fchijnl te jlaan Liv. I, 43 in, in his adc'cnfl cornicines Kbicinesqüe eet. feil. funt, i. e. onder dezen, bij dezen werden geteld enz. Dus jchijnen deze woorden onderfcheiden te moeten worden; te welen hel Conrna achter adcenfi moest zeker weg: in bis jlaat in plaats van in hos, dus zegt men ook refërrs 111 dut, ïr.grrge adnumerari eet. Van daar Adcenfus Subftant. en Plur. Adcenfi. 1) een foort van Gerechts- en Overigheids - dienaars, hoedanigen de Confuls., Praclors, en de Stadhouders der Provinciën hadden; misfehien omdat zij aan de gewoone Diemars , bij roorb. de Liclnrs, tot behulp waren toegevoegd, dus bijgevoegde Gerichte- en Overheia's - dienaars, Cic. ad Div. III, 7 adcenfo meo : Cic. Verr. I, 28 qui tum adcenfus Neroni fuit: cf. Liv. III, 33. 2j een J'oort van jonge, onbeproefde, Soldaten, die in het gericht achter.de Triariën gefield werden, Liv. VIII, 8 med. en 10 in. Zij Jchijnen te wezen, het geen bij ons de overtdlligen zijn: zij heel en ook adfcriptivi, Varr. L. L. VI, 3: cf. Veget. dc re mil. U, 19.

ACCENSUS, (Adc.) a, um, 1) ontjloken, ontvlamd enz., zie Accendo, 2) bij gevoegd enz., zie Acccnfoo.

ACCENTIUNCULA, (Adcent.) ae, f. i. <j. Tr^aeti^ia , zoo als Geil. XIII, ö zegt;

ACCENTUS-ACCESSIO

quas Graeci 7r£t>tri>ihxt clicunt, cas ve.' 'teres dodti —>' adcentiunculas appellabant.

ACCENTUS, (Adc.) us, m. 1) h°l

gen of rpeel'ii van een iufrument tot iet, 'bij voorb. tot vechten, Ammian. XVI, 12 (29): 2) de klank, bij voorb. van eene fluit, bij voorb. acutïfiimus, Solin. 5 (11): in 't bijzonder dc -toon in de uilfpraak, de accent, Quintil. 1, 5.

ACCEPTILATIO, of ACCEPTI (Adc.) LATIO, onis, f. eigenlijk het in- of overbrengen in het rek mbock, dal ds fchuld betaald is; van daar in 't gemeen: de bevrijding van de betaling, verzekering, dal men van den fchuldcuaar niets meer te eifc/ien heeft, Pandect. XLVI, 4. leg. 1,2,3,4' feqq. Dat het twee woorden zijn, ziet men ook daar uit, dewijl zii fomtijds van een gefcheiden jlaan , bij voorb. adcepti quoqué latione, Pandect. XXIII, 3, 4i: Per adeepti quoque lationetn, Ibid. XXXIX, 6, 31.

ACCEPTIO of ADCEPTIO, önis^ f. 1) de aanneming, bij voorb. van een gefchenk-, Cic. Topic1". 8 extr.: of aanneming, ontvang, in ontvang neming, bij voorb. fruïuenti, Salluft. Jug. 29 §. 4. 2) de óm. vaarding of iurriiaag van < ie Helling, Apulej^ de DoctivPlat. p. 34 Ed. Éliueriii.

ACCEPTÏTO, of Aclc., are, ontvangen, bijzonder dikwijls Plaut. ap. Non.

ACCEPTO of ADCEPTO, avi, atum, are, 1) ontvangen, (bijzonder diiwiils); aanvaarden, in ontvangst nemen, bij voorb. argentum, Plaut. Pfeud. II, 2 , 31: ook omvangen of bekomen, bijvo,rb. merecdes a dficipuiis, Quintil. XII, 7 extr. 2) aannemen, zich talen welgevallen , bij voorb. iugum, Sil. VII, 11.

ACCEPTOR, ons, m. die ontvangt, aanneem: it. billijkt, Plaut. Trin. I, 2, 167 qui illormri verbis — acceptator fui.

ACCEPTRIX, icis, f. eene vrouw, die ontvangt, aanneemt enz., Onlvaugfler, Plaut. Truc. II, 7, 18.

ACCEPTÜS, a, um , zie Accipio.

ACCERSO, ivi, [turn, 3. is volgends het oordeel van jonrnige Letterkundigen geen woord: daaróm laten zij daar voor in de oude Schrijvers overal Arcclfo eet. drukken , zie 'derhalveu Arccflb.

ACCESSIO (Adccflio), onis, f. het toegaan, toetreden, bijkomen, bij voorb. van een mensch enz., bij voorb. Quid tibi huc accclïïo eft, Piaut. Trin. III, 2, 83, i. e. waarom komt gij hier? wat komt gij hier doen ? cf. Truc. II, 2, 30. Dus ook cum ad corpora tuin adcellio ficret tum abfccfiio, Cic. Univ. 4 : fuis adcefiionibus, Cic. Verr. H, 53 extr. , i. e. door zijn heengaan tot elk van deze per jonen, o;u hen tot een fluk gc/ds te overreden enz.: ook van eene zaak, bij. voorb. febris i. e. wanneer de koorts komt, de Paroxysmus, Celf. II, 12 extr. III, 4. Van daar 1) bijvoeging, toevoeging van eene zaak bij eene andere, 0111 ze "te vermeerderen, gevolglijk, bijvoegzei, locgi/'le, bij voorb. decumac, Cic. Eab'. Poft. 11, i.e. ven e. ■ *•'<-••/-. deel • paucorum annorum, Cic. Amic. 3: adccilionem adjunxit aedibus, Cic. Oflic. 1, 39 in., i. e. vergrootte zijn huis daardoor. Van daar ooit 2) de vermeerdering, wasdom, vergroting, lij voorb. van i'eldeuz., bij voorb. numoru.n , Cic. Verr. III, 49 extr. 50 in.: pêcuniae, Nep. Att. 14: dignitaüs o: fortunae., Cic. ad Div. II, 1 extr.: morbi, Suet. Vefp. 23. 3) ook dc zaak zelve, die toe-, gevoegd wordt, om iet ie vermeerderen,

Sluiten