Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

COLLEGIUM - COLLIDO

COLLEGÏUM vf. heter CONLEGÏUM, 1,

n.' I) een Colleke, d. i. eene vergadering of gezelfchap van perfonen, a) van hetzelfde ambt, hij voorb. practorum, Cic. Off. III , 20: tribunorum, Cic. Verr. IV, 4.9: pontificum, Caef. B. C. I, 72: in collegium aliquem cooptare i. e. aannemen, Cic. Brut. 1: collegium coit, Cic. Dom. 18, i. e. vergadert: van daar pro collegio pronuntiare, Liv. IV, 16, i. e. in naam van het gcheele Collegie. b) van hetzelfde beroep , bij voorb. van handwerklieden , kunflenaars enz. Wanneer het dikwijls hetzelfde is als broederfchap, gilde, bij voorb. van pottebakkers, timmerlieden , kooplieden enz. , dergelijken heeft de Koning Servius Tullius opgericht, Flor. I", fi: bij voorb. mercatorum, Liv.

II, 27, het heet ook collegium Mercurialium, bij voorb. Mercuriales Furium de collegio ciecerunt , Cic. Q. Fr. II, 5: Ambubaiarum, Horat. Sat. 1, 2, 1: cf. Cic. Sext. 15 nullum collegium eet.: cf. Dom. 28: c) ook waren "er meer bijédnkomflen, bij voorb. Corneliorum , Cic. fragm. Cornel. 1, naar Cornel. Sulla dus genoemd : ook andere hijédnkomflen , hij voorb. om te brasfen, die dikwijls verboden werden, Suet. Caef. 42. Aug. 32:ook kieldt Clodius er dergelijken met fnoode inzichten, bij voorb. fervos fimulatione collegiorum conferiptos, Cic. Sen. red. 13. Not. collegium tentare , Coel. in Ctc. ep. ad Div. VIII, 12 in., wat is dat ? Sommigen verflaan het collegium augurum : anderen gelooven, dat het flaat voor collegam, en dus wil Graevius liever lezen: de plaats is duister: 2) het Collegafchap, d. i. wanneer men iemands ambtgenoot is, de betrekking van den eenen Collega tot den anderen, de verbinding onder hun enz., bij voorb. concors collegium , Liv. X , 13 en 22 , eendragtig Collegafchap; d. i. wanneer zij als ambtgenoten eendragtig leven: cf'. Tacit. Ann.

III, 33. Hift. I, 52: van daar 3) collegium naturae, Plin. H. N. X, 17, i. e. vinculum.

COLLEVO, zie Collaevo. COLLTBERTUS of CONLTBERTUS , i, m. een medevrijgelatene, Plaut. Poen. IV,

2, 88.

COLLTBET(ConL) of COLLÜBET(Conl.) ibuit en ibi'tum eft, 2, het lust, het belieft, bij voorb. fi quid collibuit , Terent. Eun. V, 9, 26 : fi collibuiffet, Hor. Sat. 1,3, 6: quae vietoribus collibuiffent, Sall. Cat. 51 (50): fimul ac mihi collibitum fit, Cic. ad Div. XV, 16, i. ■ e. zoodra het mij belieft, lust enz.

COLLTBRO f Conl.), are, voor libro, bij voorb. medium inter arbores, Cato R. R. 19.

COLLICÏAE en COLLIQUIAE (Conl.), arum, f'. walergoten, waar door het water afvloeit, het zij op den akker, of op het dak, Colum. II, 8. Plin. II. N. XVIII, •lp extr. Vitruv. VI, 3 en Feft. in Inlicmm. Het fchijnt een AdjeCtivum te zijn, feil. aquae: de Singularis colticia fchijnt niet voor te komen, maar des niet te min gebruiklijk geweest te zijn.

COLLICIARIS, e, bij voorb. tegula, Cato R. R. 14, i. e. tegel tot het aftopen des waters, holle tegel, dakgoot.

COLLÏCÜLUS, i, m. keuvelt jen , kleine 'heuvel, Martial. XII, 25, 4. Apul. Flo1 id. init.

COLLiDO of beter CONLTDO, fi, fum,

3. 1) flerk famendrukken , famenflaan of Jlooten, famenkletzen, bij voorb. hu-

COLLIGATÏO-COLLICO

mor ita mollis, ut facile compri.ni collidique poffit, Cic. Nat. D. III, 12: aurum, Ovid. Art. Hl, 221:manus, Quintil. II, 12(13), i> e. kletzen: dentes, Senec. ep. 11 in.: mare navigia inter fe collidit, Curt. IV, 3: van daar vafa collifa, Cic. Phil. II, 29 , gekneusde: nafus collifus , Senec. de ira III, 22 : van daar 2) Tropisch a) tegen elkander Jlooten, bit voorb. confonantes fi collidantur, Quintil. IX,. 4: mons collifus inter haec clauftra (i. e. maria), i. e. ingedrukt, Plin. II. N. V, 27: b) vijandlijk d. i. verdeelen, bij voorb. collidit gloria fratres , Stat. Theb. VI, 435 : van daar collidi zich verdeelen , twisten , bij voorb. Graecia Barbariae collifa duello, Hor. Ep. 1,2, 7; collifa inter fe duo reip capita, Vellej. II, 52 :duae leges colliduntur, Quintil. VII, 7 extr.

COLLÏGATÏO (Conl.), onis, f. de verbinding, a) eigenlijk, Vitruv. X, r machina plexis colligat'onibus continetur i. e. de famenbinding, b) Tropisch, bijvoorb, caufarum, Cic. Div. I, 56: focietatis, Cic. Off. 1, 17: naturalis, Cic. Fat. 14.

COLLÏGO of beter CONhlGO, avi, atum, are, 1) famenhinden, verbinden, bij voorb. manus, Cic. Rab. perd. 4: capillum in capite, Varr. L. L. IV, 29: aliquem mïfcris modis, Ter. Eun. V, 5, 13: vinculis, Cic. Univ. 11: vulnera, Plin. H. N. XXXV, 15, 2) Tropisch, a) verbinden, d. i. in naauw verband zetten, bij voorb. fe cum multis, Cic. ad Div. IX, 17: res inter fe colligatae, Cic. Off. I, 5. Nat. D. I, 4: b) verbinden, omvatten, bij voorb. fententias verbis , Cic. Or. 50: memoriam annorum fepringentorum uno libro, Ibid. 34. c) binden, kluisteren, f remmen, bij voorb. impetum Antouii, Cic. Phil. XI, 2: Brutum colligaffemus in Graecia, Ibid. 11 , i. e. door het Raadshefluit daar gekluisterd hadden, dal hij dus niet te rug kan komen.

COLLÏGO of beier CONLÏGO, egi, eflum, 3. I) famcnlczen, famenbrengen , verzamelen, bij voorb. hominum numerum ex agris, Cic. Cat. II, 4: de Pelasgis bonos viros , Cic. Fin. II, 4 : fe ad aciem, Auct. B. Afric. 70: apes in vas, Varr. R. R. III, 16 extr.: vafa, Cic. Verr. IV, 19, i. e. inpakken: caufas, Plaut. Trin. III, 3, 62: ftipem, Liv. XXXVIII, 45: 2) famenncmen of vatten, opnemen, in de hoogte nemen, hij voorb. togam, Martial. VII, 32, 4: follcm de pulverc, Ibid. XII, 84, 5: librum, Plin. Ep. II, 1, i. e. opheffen (als het vief) of vatten, eer het den grond raakt: dus ook bella, Cic. adDiv. IV, 3, i. e. famenaauvoeren : dus ook viros de Pelasgis, Cic. Fin. II, 4: caufas trecentas , Plaut. Trin. III, 3 , 62: van daar a) iu zich vatten, bij voorb. ambitus centum duos pedes colligit, Plin. II. N. XXXVI, 12: cf'. XII, "5: b) fpiritum, Quintil. XI, 3 weder adem haaien: c) famentrekken , hij voorb. anguis fe in Ipiram colligit, Virg. Georg. II, 154: fe collegit in arma, Virg. Aen. XII, 491, trok of verbergde zich achter zijn fchild: eapillos in nodum, Ovid. Met. III, 169 : ad colligenda acria vifecrum, Plin. II. N. XIX, 5 med.: d) gradum, Sil. VII, 6y5: of greifum, Ibid. VI, 399, i. e. inhouden: e) fe i. e. zich herhaalen, Cic. Tufc. I, 24. IV, 36. ad Div. V, 18. Or. I, 7. Quint. 16: dus ook fe ex timore, Caef. B. C. III, 65: dus ook animum, Liv. III, 60, i. e. moed vatten, zich herliaeleu: f) uitrekenen, rekenen, faEe 2

COLLIMO-COLLlSIO «59

tnenrèkenen , bijvoorb. annos, Plin. H.

■ N. XIII, 13. Tac. Germ. 37: van daar 3) befluiten, als een gevolg afleiden, Cic. Off. II, 16. Att. II, ;3. Quintil. I, 2 (3): van daar colligor i. c. men befluit van mij, Ov'd. Am. II, 6. 61: 4) verwerven , zich op den hals kaaien, bekomen , erlangen, bij voorb. benevoientiam, Cic. Am. 17: gratiam, Cic. Q. Fr. II, 15: invidiam, Cic. Verr. V, 8: fitim, Ovid. Met. V, 446, i. e. krijgen: odium , Ibid. III, 258.

COLLIMO, are, zie Collineo.

COLLINËO , avi, atum, are, 1) aliquid iet in een rechte lijn ergens naar richten , daar op mede doelen, richten, bij voorb. manum & oculos, Geil. IX, 1: oculos ad umbram, Apul. Met. IX extr., i. e. heenrichteu: ütam pro fronte,Apul. Flor. prope fin. p. 365 Elm. , i. e. regelrecht richten of maken: 2) iet zoo naar het doel werpen, dat men het treft, hij voorb. haftam aut fagittam aliquo, Cic. Fin. III, 6: ook zonder Accufativus, het doel treffen, of treffen, bij yoorb. Ibid. omnia facere, ut collineet: dus ook Cic. Div. II, 59 quis eft, qui, totum diem jaculans, non aliquando collineet? i. e. niet treffen zou. Not. Sommigen fchrijven collimare.

COLLINIO (Conlin.), ire, befmecren : yan daar coilinrtus, a, um, Colum. VI, \*r extr.

COLLINO of beter-COKLÏNO, levi, lïtum, 3. befmeeren, bij yoorb. ora venenis , Ovid. Rem. 351: tabulas cera, Geil. XVII, 9 : crines pulvere, Hor. Od. I, 15, 20: dus ook coeno, van daar Tropisch , mores coeno collinunt, Plaut. Moft. L 3, 133.

COLLINUS, a, um,ket geen aan den heuvel is of groeit, bij voorb. genus agrotum campeftre, collinum & montanum , Varr. R. R. I, 6: vinca, Colum. XII, 21: aqua, Ibid. I, 5, 3: frumentum, Celf. II, 18 : porta Collina was eene poort te Rome bij den Quirinalifchen (of ook Vimiualifchen) heuvel, Ovid. Faft. IV, 871. Cic. Leg. II, 23. Liv. XXVI, 10. XL, 34, zij heette ook Agonenfis: van daar herbae, Prop. IV, 5, n, i. e. dat bij deze poort waste: tribus Collina die naar den Quirinalifchen en Viminalifchert heuvel den naam heeft, Varr. L. L. IV, 8. Plin. H. N. XVIII, 3.

COLLÏQUEFACÏO, (Conl.), feci, faétum

3. vloeibaar maken, jmeiten : dus ook Colïiquefieri vloeibaar gemaakt worden, fiielten, bij yoorb. non prius, quam — coiliquefacta eft glacies, Varr. R. R. II,

4, 6: venenumcolliquefactum, Cic. Cluent. 62.

COLLÏQUESCO (Conl.), liqui o/licu.:, ére, vloeibaar worden, Colum. Xll, 22. Apul. in Apol: yan daar aurum colliquifi. fet, Varr. ap. Non.: aes, ftannum— colliquiil'et, fbid.

COLLIQUIAE, zie Colliciae.

COLLIS, is, m. een heuvel, bij voorb. vi» ridifiimus, Cic. Verr. III, 18 : declivis, Caef. B. G. II, 18: apricus, Virg. Bel. IX, 49: montani colles,Plin. H. N. VI, eo in., i. e. hoogten op het gebergte : ironte minor collis, Ovid. Art. lf, 71 : collis dominae Uianae , Martial. XII, 18 , 3 , i. e. collis Avcntinus , alwaar eet Tempel yan Diana was : ook een berg, Sil. III, 420, van de Pifreneln.

COLLISÏO (Conlif.), onis, de famenfloting, de fchuddiug , bj voorb. partus. juftin.'XI, 12.

COL-

Sluiten