is toegevoegd aan uw favorieten.

Lexicon Latino-Belgicum auctorum classicorum.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t

414 EXCERPTTO —EXCTDO

EXCERPTTO, Bnis.f. i) het af breken, 2) bet optekenen ui tl een gefchrift, Geil. XVII, 21.

EXCERPTUS, a, um, zie Ëxcerpo.

EXCESSUS , us , m. 1) het uitgaan , voortgaan, bij voorb. e vita, Cic Fin. III, 18: o/vitae, Cic. Tufc. I, 12: 00* e»*<7exeefltis, Cic. Lat. I, 1 med., de dood : van daar het uitfleken, bij voorb. van een been in hel lighaam, Celf. VIII, I extr. 2) het afgaan, afwijken van eene zaak, bij voorb. a.pudore, Valer. Max.

VIII, 2 extr.: van daar het afgaan van de hoofdzaak , uitwijding , Plin. Epift.

IX, 26. Quintil. III, 9. EXCËTRA, ae, f. 1) eene jlange, Plaut.

Perf. I, 1,3. Cic. Tufc. II, 9 tn de vertaling van Sofocles: 2) van daar Tropisch, flang, als een feheldwoord, Liv. XXXIX, 11. Plaut. Caf. III, 5, 18. Ib. Pfeud. I, 2. 85. EXCIDÏO, önis, f. verwoesting , verfloo-

ring, Plaut. Curc. IV, 3, 2:'cf. Feft. EXCIDIUM, i, n. 1) van Exfcindo, de yerflooring, verwoesting, bijvoorb. urbis, Liv. XXVII, 39 : cf. XXIX, 1. Virg. Ach. X, 46 : gentium , Vellej. II, 98: ineorum, Virg. Aen. VIII, 386: Libyae, Ib. I, 22 (26): aderat luco excidium , Stat. Theb. VI, 96 : exercitus, Juftin. XXXII, 3: van daar voor een ver'derflijke oorlog, bij voorb. petet urbcm excicliis, Virg. Georg. II, 505: cf. Val. FI. VI, 394: 2) van Excido, de val, het vallen, nederyallen , bij voorb. vulvae , Plin. H. N. XXXVI, 21 alioqui vulvae excidium fit, zoo als Hard. leest : Ed. EIz. heeft vulvae excidunt. EXCÏDO , ïdl , 3. uit, of afvallen , bij voorb. ex utero elapfum excidit , Cic. Nat. D. II, 51: fol e muiido, Cic. Att. IX, 10 ante med.: gladii de manibus , Cic. Pif. 9: deus arce, Ovid. Fait. V, 34: equo, Senec. Herc. Oet. 1163: urna inter manus excidit , Prop. IV, 4, 20: fagitta in pedem excidiffet, Plin. H. N. XXV, 6: num numi tibi exciderunt? Plaut. Bacch. IV, 4, 17: puppi, Virg. Aen. VI, 339 : vaji daar 1) iet verliezen, iet inboeten, bij voorb. uxorc, Terent. And. II, 5, 12: regno, Curt. X, 5 poft med.: fine, Quintil. II, 17 med.: rormula, het proces verliezen , Sueton. .Claud. 14. Senec. Clem. II, 3: vandaar s) ongelukkig zijn ergens in , in iet mislukken , bij voorb. aufis , Ovid. Met. II, 328 : fine, Quintil. , zijn doel misfen , zie hier voor: genere, Quintil. I, 5 (9) ante med., i. e. in het genus misfen. b) buiten zich zclven zijn, den moed verliezen , ontjlellen , feil. animo , Ovid. Art. I, 539 : 2) te gronde gaan, ■ omkomen, vérlooren gaan , flerven , bij voorb. primo aevo, Propert. III, 5, 7: locs excidit, Ovid. Faft. VI, 393: 3) uit of voortkomen, bij voorb. vox per auras excidit, Virg. Aen.'IX, 112: vox ex ore excidit, Cic. Suil. 26. Do.n. 39: of ore, Virg. Aen. VI, 686 : 4) ontvallen of afvallen, bij voorb. gladii de manibus, Cic. Pif. 9: fica, Cic. Cat. 1,6: gladii excident feil. de manibus , Cic. Phil. i XII, 3 : van daar Tropisch, ontvallen , d. i. verloren gaan, ontwijken, bijvoorb. vultus, oratio, mens excidit, Cic. Verr. I, 54: cf. Ovid. Met. II, 601: memoria arcis, Liv., zie hier na: van daar a) van het geen men bij geval of tegen wil en dank doet of fpreekt , bij voorb. nefas excidit ere, Virg. Aen. II, 658 : libellus me invito excidit, Cic. Or. I, Si: ne quis mihi putet tócidiffü temerc,

EXCTDÖ-ËXCIËO

quod dixerim, Quintil. VII, 2: quae tnchoata exciderunt , Cic. Or. I, 2 in.: oratio, Cic. Att. III, 12: b) van devergetenheid, bij voorb. memoria arcis excidit, Liv. XXVII, 3: pacis mentio exciderat ex omnium animis, Liv. XXXIV, 37: cogitatio mihi non excidit, Cic. ad Div. V, 13 : nomen tuum mihi excidit, Ovid. Trift. IV, 5,10: excidit tibi cura mei, Ib. Pont. II, 10, 8: an exciderunt loca ? Ib. Her. XII, 71: cf. Ib. Pont. II, 4, 24: dus ook excidere de memoria , Liv. XXIX, 19 extr., i.e. vergeten worden , ontvallen: ook zonder NominatK'us, gevolglijk Imperfonaliter, bij voorb. non excidit mihi, fcripfiffe me eet., Quintil. II, 3 extr., i. e. ik heb niet vergeten enz.: ook feq. conjunét., bij voorb. excidit optarem — annos eet., Ovid. Met. XIV, 139, i. e. ik vergeet te wenfehen enz.: Not. excidens i. e. die iet vergeten heeft, Quintil. XI, 2, 19. XI, 3, 132: 59 ontkomen, ontwijken, Uj voorb. vinculis , Virg. Georg. IV, 409: viétoria e manibus, Cic. ad Brut. Ep. 10: 6) afgaan in gevoelen van iemand, bij voorb. excido ab Archilocho, Lucil. ap. Non. 4 n. 181: 7) ook ergens heen vallen, geraken , bij voorb. libertas in vitium excidit, Horat. Art. 282: fagitta in pedem, Plin. H. N. XXV, 6, zie hier yoor. EXCIDO , di, fum , 3. uithouwen , bij voorb. lapides e terra, Cic. Off. II, 3 extr.: columnas rupibus, Virg. Aen. I, 429 (433 9: rubos arvis, Quintil. IX, 4 in.: of, uithouwen, afhouwen, uitfnijden of affnijden, bij voorh. linguam alicui, Cic. Or. III, 1 : lucum (lotum), Cic. ad Div. VII, 20 : f'ylvas, Lucret. V, 1265: caput, Plin. II. N. XXXIII, 3 ante med. : partum mulieri , Pandeéï. .XI, 8, 2, i. e. uitfnijden: agros, i. e. van boomen berooven of verwoesten, Vellej. II, 115: yan daar excifa pelta, 0vid. Pont. III, 1, 96, i.e. klein afrond, als 't ware, rondom afgefnoeid: verders corticem 1'calpro, Plin. H. N. XVII, 16, i. e. wegfuijden, uitfnijden: van daar a) fnijden, ontmannen, lubben, Ovid. Faft. IV, 361. Pandect. XLVIII, 8, 4 extr.: b) uithouwen , ftukhouwen , bij voorb. portas, Caef. B. G. VII, 50 : domos, Cic. Sext. 44 : c) uithouwen, d. i. door uithouwen maken of bereiden, bij voorb. ltagnum in petra , Colum. VIII, 17: obelilcum, Plin. H. N. XXXVI, 9: vias inter montes, lb. 15 extr.: vafa anaglypta in afperitatem excifa, Ibid. XXXÏH, 11: latus Euboicae rupis excifum in antrum, Virg. Aen. VI, 42: van daar faxum, Cic. Verr. V, 27, uithouwen, d. i. hol maken. d) yeiflooren, yerwoeften, bij voorb. urbes, Cic. Dom. 23: urbem , Cic. Sext. 15: domos, Ib. 44: murum, Horat. Od. III, 3 , 67: vicos, Curt. IV, 13: agros, Vellej. , zie hiervoor : yan daar e} te gronde helpen, verdelgen, verbannen , bij voorb. tempus ex animo , Cic. Provinc. 18: malum, Cic. ad Brut. Ep. 16 poft med.: aliquem numero civium, Plin. Ep. VIII , 18: Germaniam, Vellej. II, 122 : exercitus, Ib. 120.

XCIËO o/EXCÏO, Ivi, .ïtum en Itum, 2 en 4. maken, dat iemand of iet van zijne plaats beweegd worde, ofgaa: van daar 1) op of buiten roepen, uit of buiten lokken, tot weggaan aanleiding geven, te voorfchijn brengen , ook ergens heen roepen of aanleiding geven om te gaan, bij voorb. me exciet foras, Plaut. Pfeud. V, 2, 1: cx Italia excivimus juventutem, Cic. Phil. XII, 7 : confulem ab urbe , Liv. III, 2: homines fedibus fuis, Liv.

EXCIPIO

XXXII, 13: aliquem ex fomno, Liv. TV, 27: hoftem ad dimicandum , Liv. II, 30: aliquem foras , Plaut. Trin. V, 5, 52. Pfeud. V, 2,1: aliquem in pugnam , VI, 11 : in aciem, Stat. Theb. IV, 146: excivit ea caedes Bruaeros, Tac. Ann. I, 50: homines, Liv. V, 34, i. e. met zich nemen: dus ook auxilia, Liv. XLV, 4 in.: excitus concurfu, i. e. aanleiding gekregen liebbende, opgeroepen, Liv. V, 7: crepitum ex aliquo, Plant. Curc. II, 3, 16: van daar 29 uitlokken , opwekken , in beweging^ brengen, veroorzaken, opjagen enz., bij voorb. lacrymas, Plaut. Cift. I, 1, 114 : tumultuin , Liv. III , 39: terrorem, Liv. X, 4: fonitum pedibus, Lucret. II, 329: fuem latebris, Ovid. Met. X, 7ro, opjagen. Not. (1) excibat voor exciebat, Liv. XXXII, 13 med.: (29 Het Particip. exeïtus is van excieo; excitus van excio: Not. Infinit. exciere jlaat Liv. VII, tl extr.

EXCÏPÏO, «pi, cpt-um, 3. ï) uitnemen bij voorb. dentem , Celf. VII, 12 in., 1. e. uittrekken of fikeuren: homines e man, Cic. ap. Non 4 n. 158 , uittrekken of visfehen: dus ook vidulum r feil. e man), Plaut. Rud. IX, 4, 140: mei .de favis, Colum. XII, 11 in. : clypcum forti, Virg. Aen. IX, 271: genus divinatioms ex divinitate, Cic. Div. II, 10, i. e. nemen, bekomen: van daar a) bevrijden , losmaken, bij voorb. aliquem fervitute, Liv. XXXIII, 23: b) uitnemen d. i. eene uitzondering maken, aliquid , Cic. Q.Fr. I, 1, 13: aliquem, Cic.Div. I, 39 extr. Cic. Cat. IV, 7. Agr. II, 8 extr. Plaut. Mil. II, 2, 12: van daar excepto uitgenomen, uitgezonderd, bij voorb. •excepto, quod eet., Horat. Ep. I, 10, 50 : excepto, fi eet., Perf. V, 90: hier toe behoort ook clypcum forti, Virg. Aen. IX, 271, i. e. niet mede verloten, zonder lot verdeden, geven: c) zich iet uitbiedingen, een beding maken, verordenen, benoemen, beflemmen, bij voorb. nominatim lex exciperet, ut eet., Cic. Q. Fr. ■I, 1,9: in foedcribus exceptum eft, ne eet., Cic. Balb. 14 in.: ubi eft exceptum foedLte, ne eet., Ib.: Iegibus , quibus exceptum eft, Cic. Cluent. 43 in.: 10gum (fibi) excipcre, Plin. H. N. XIV, 1 111., i. e. voor zich uitbedingen : cum Graecos Itaha pelleret, execpiffe medicos Ib. XXIX, 1 med., i. e. uitdruklijk benoemd : d) eene gerichtelijke uitzondering of tegenwerping maken , bij voorb. adverfus aliquem, Pandeét. XVI, 1,17: de dolo fervi, Ib. XLIV, 4,4: qui excipit , probare debet, quod excipitur, lb. XXII, 3,9: focietatem pericuh, Ib. XXVI, 7, 37, i. e. daar tegen aanvoeren, daar tegen pellen: 2) opvangen , (a) vriendelijk, bij voorb. Reizenden d. i. ftil laten flaan , om met hun te /preken enz., Liv. II, 38. Caef. B. G. VII, 28. (b) vijandlijk, d. i. vangen , wegvangen, gevangen nemen, op marsch, ineen treffen enz., door list, geweld enz., van menjchen en beesten, bijvoorb. Pompejum exceptum iri, Cic. Att. VII, ^2 : cf. Caef. B. G. VII, 20. B. C. III, 38: btftias, Caef. B. G. VI, 28 : cf. Virff. Ecl. III, i3. Horat. Od. Hl, 12, 12 : van daar Tropiscli vangen, d. i. verwerpen, bijvoorb. voluntates hominum , Cic. Or. II, 8 in.: (e) met de handen , bij voorb. iemand, die valt, Liv. I, 41 : faces , Liv. IV, 33 med.: (d) met de 00ren, d. i. wegfnappen, oprapen, hooren, luifleren, verflaan, vernemen, Cic. Dejot. 9 in. Planc. 23. Liv. II, 4. XL, 7. Plin. Ep. IV, IQ ; (e) met het ligchaam ,