Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

496 FOETIDUS — FOLLICOSUS

idem Hinkt, zii riekt vuil uit de keel, zij heeft, een Hinkenden adem: foetere mulro Myrcafe folet vino, Martial. V 4, i.

FOETIDUS , a, um, flinkend, eenen kwaaden reuk van zich gevende, kwalijk -riekende , hij voorh. os, Cic. Pif. 6: anima Plaut. Merc. III, 3, 13: foetidior, Celf.

FOETOR, oris, m. de kwaade reuk, flank,

xxvïïi*"'18: oris' Plin' Hi(l' Nat'

FOETULENTUS, a, um, kwalijk -riekend, flinkend, Apul. in Apol.

FOETUS, Subftantive en Adjeftive, zie Fetus.

FOETUTTNAE, arum, f. Hinkende plaat, zen, bij voorh. lingua in foetutinis & olenticetis fuis jaceat, Apul. in Apol. poft init. p. 278. Elm., i. e. in den morsJigen, flinkenden mond: van daar foetutinae grammaticae , Tropisch en verachtelijk, Prob. Val. ap. Geil. XIII, 19 in.,

I. e. ellendige verklaringen der Grammatici, als 't ware, grammaticale potzen.

FOLIACÈUS, a, um, hladerig, als bladen gevormd, bij voorb. femen,' Plin. H. N. XIX, 3 med. en 7.

FOLIATORA, ae, f. de gedaante of gefialte van bladeren, bijvoorb. arboris ejus funt fimiles cupreffeae foliaturae, Vitruv.

II, 9 poft med.

FOLIATUS, a, um, 1) met bladen verzien , bladerrijk, bij voorb. arbores prolixe iohatae, Apul. Met.IVin.: caulis, Plin. H. N. XXI, 16 extr.: quaedam fpinofa rohata funt, Ibid. 15 poft med. 2) uit , bladen bejlaande of gemaakt: van daar Foliatum, feil. unguentum, Plin. H. N.

XIII, I extr. Juvenal. VI, 464. Martial. r XI, 28, 9, een zalf of olie uit Nardusbladen: van daar fi fitis foliata, Martial.

XIV, 110, 2, de dorst daar naar: doch, F het kan ook heeten, indien gij daar naar dorst, dorst daar naar hebt, zoo dat fo- F liata de Accufativus, en fitis het Verbum is, het welk beter fchijnt: doch, dat men deze zalf ook onder 'de drank deedt, zie Plin. H. N. XIII, 3 extr.

FOLIÖStJS, a, um, vol bladen, Plin. H. N. XXIV, 15 med.: fofiufior, Ibid. XII, 11.

-FOLIUM, i, n. O een blad van een boom,

plant, bloem, bij voorb. in arboribus

folia, Cic. Or. III, 46: laureae, Cic. Pif. 40: raphani, Plin. H. N. XIX, 5: folia fafeolis venofa, Ibid. XVIII, 7: van daar phima & folio facilius moveri, Cic. Att. VIII, 15, van onbeflendige menfchen : credite me vobis folium recitare Sibyllae i. e. oraculum, Juvenal. VIII, Ff 126, dewijl de Sibylle haare voorzeggingen op bladeren fchreef, Virg. Acn. III, 444- VI, 74, en Varr. en Serv. Ibid.: ' bijzonder is beroemd geweest folium nar- \ di, Plin. H. N. XII, 12, waar uit unguentum foliatum gemaakt werdt. Not. F<3 folia artis & nngae i. e. potzen, beuze- ' lingen, nietswaardige dingen, Apul. Met. r I ante med. p. 106. Eim. 2) een blad c papier, bij voorb. chartarum folia ad fe ^ rapere, Plin. II. N. XXXVII, 7 poft 2 HKd. e ieft. Hard. f' fOLLÏCO, are, zich, als een blaasbalg, S dan famen trekken, dan uit een flrekken, f, lij voorb. bij het eten, ademhaalen, bij -v ■yoorb. muli follicantes nares languidas £ adödiio pulfu tuffedinis hiulci, Apulei. i; Met. IX ante fin. p. 222. * FGELICO.SUS, a, um, Le. folliculisple- II

FOLLICULARIS-FONS

mis, bij voorb. papaver, Apul. de herb.

FÖr.LICULARIS, e, bijvoorb. fofficulare

• adnellatur pars remf, quae folliculo eft

• tefta, a quo vita follicularis, Feft. FOLLICftLUS, i, m. :) een'kleine lederen

zak, bij voorb. eques in caftra folliculis frumentum v.eheret, Liv. IX. 13 extr.: os obvolutum eft folliculo, Cic. Invent.' II, 50: dus ook Auft. ad Her. I, 13: ei (matricidae) damnato ftatim folliculo lupino os obvolutum eft: van daar de ballon,^ Sueton. Aug. 83. 2) het geen, waar in iet gerold is, de peul, 'de bast, de huid, bij voorb. van graankorrels, peulvruchten enz., bii voorb. grani Varr. R. R. 1,43: fici, Ibid.: fabae i Petron. 135= cum fpica fe exferit folliculo, Senec. Ep. 124 med.: folliculum, quo continetur (adoreurn), Colum. II, 8 extr.: femen geniftae in folliculis , fafeolorum modo, nafcens, plin.H.ÏS.XXIV, i): liuuur in folliculis ulmi nafcens , Ib.: folliculus fellis animalium, Ibid. XXX, 11: van daar heet het ligchaam folliculus i. e. hulzel der ziel, bij voorb. fi quis fum & quo folliculo fum indutus eet., Lucil. ap. Non. 2. n. 327. POLLIS, is, m. een lederen zak: vandaar .1) een Ballon, Plaut. Rud. III, 4, 16. Martial. XIV, 47, 2. 2) een blaasbalg, Cic. Nat. D. I, 20. Virg. Georg. IV, 171. Liv. XXXVIII, 7. Horat. Sat. I, 4, 19. Perf. V, 11. 3j een ledige geldzak of buidel, Juvenal. XIV, 281: decem folies, id eft, decem facci (pecuniae) eet., Veget. de re Milit. H, 20: cf. Plaut. Aul. II, 4, 23. 'OLLITIM, Adv., geldzaksgewijze, bij voorb. duftitare, Plaut. Epid. III, 2, 15, i. e. om geldzakken bedriegen. 'OLUS voor HOLUS (holeris) zeiden de Ouden, volgends Feft. in Fedum. OMENTATÏO, önis, f. koejlering, Ulpian. in Pandeft. XXXII. Leg. 68. OMENTUM, i, ri. voor fo vimentum, van loveo, 1; elk middel, waar door men warmt of verwarmt: van daar e) een (warme) omflag om een krank deel des tigchaams, broeding, koejlering, bij voorb. calida foinenta, Celf. II, 17 poft med.: fomenta adiiibere, Colum. VI, 30: parare, Horat. Sat. I, 1, 82: van daar 3) Tropisch, een middel van verzachting, bij voorb. doiorutn, Cic. Tufc. II, 24 extr.: paupertati fuae fomenta quaerere, Apul. Riet. II: ook voedzelmiddel of middel van beflaan, bij voorb. frigida curarum fomenta, Horat. Ep. I, 3, 26: van daar tonder, bij voorb. fe ex arboribus fomenta excidifie, Clodius ap. Serv. ad Virs. \en. I, 176 (180). )MES, ïtis, m. voedzel voor het vuur •.onder, Virg. Aen. 1,176(180). Lu:an. VIII, 776. Plin. H. n. XVI, u mte med.: van daar Tropisch, bii yoorb. ngenii, Geil. XV, 2. NS, tis, 111. 1) eene bron, fontein, bij •oorb. aquae dulcis, Cic. Verr. IV, 53: ivorum a fonte deduftio, Cic. Top. 8: j f. Caef. B. C. III, 49. Hirt; B. G. 'III, 41. Ovid. Met. XIV,7i;8. Faft.V, 1 ia. Ook bronwater, bij yoorb. fontcm 1 irebant, Virg. Aen. XII, 119: cf. Lu- ; tn. V, 336. 2) eene bron, Tropisch, c . i. oorzaak, oorfprong, bij voorb. phi- \ ifophiae, Cic. Tule. 1,3: mali, Liv. C XXIX, 15: rerum, Cic. Or. 11,27: d elli, Flor. 111,6: eloquentiae, Quint. C '1, 1 extr.: vitii, Plaut. Truc. H , 7, r 3: cf. Cic. Or. I, ïo. III, ii. Nat.D. 4 I, 19. Horat. Art. 329, g

FONTANALIS — FOR

FONTANALIS, e', i. q. fontanus, lij ■ voorb. aqua, Vitruv. VIII, 3.

FONTANUS, a, um, uit' dc bron, bii voorb. aqua, Colum. XH,p, bronwater: ora fontana, Ovid. Faft. 1,269, i. e. fontium.

FONTÏCtlLUS, i, m. eene kleine bron, foutcinticn, Horat, Sat. I, 1, só. Plin. H. N. XXXI, 10. FONTINALIS, c, de bron of bronnen betreffende, bijvoorb. Fontinalis porra,Liv. XXXV, 10 extr. en Feft., eene poort te Rome, anders Capena genoemd: Fontinalis feil. Deus, Plaut, Stich. V, 4, 17, misfehien de God- der bronnen: van daar Fontinatia feil. folennia of facra, een Feest in Rome, wanneer men de bronnen bekranfle, er ook krans fen in wierp, Bron» feest; dit viel omtrent het midden van Oclober, Feft. en Varr. L. L. V, 3. FOR, fatus fum, fari, 1) fpreken, zeggen, hij yoorb. ad aliquem, Cic. Univ. 11. Valer. Flacc. III, 616: fabitur hoe aliquis, Cic. ap. Geil. XV, 6: fabor enim Virg. Aen. 1,261 (265): talia fatur, Ibid. 257 (261): fare, quid veruas, Ibid. VI, 339: cf. 531: ita farier (voor fan) inrit, Ibid. XI, 242: vix ea latus eram, Ibid. II, 323 : curfu, quem fabor, Valer. Flacc. VIII, 184: fandi doailhma, Virg. Aen. X, 225: praetor, qui tuin fatus eft, Varr. L. L. V, 4: cum primum fari coepiffet, Suet. Aug. 94 med., Le. te fpreken als een kind. Not. famino (voor faminor, Imperat.) i.e, dicito, Feft.: talia fando, Virg. Aen. II, 6, i. c. wanneer men zoo iet zegt. 2) voluit zeggen, bij voorb. toekomjlige dingen, bijvoorb. fata fari, Pacuv. ap. Cic. Div. I, 31: quem pulchra dearum fari donavit, Eun. ap. Prob. ad Virg. Ecl. VI, 31: cf. Senec. Ocdip. 292, i. e. profeetceren. Not. fatur, Pasfive, bij yoorb. fafti dies funt, in quibus ■ jus fatur, Sueton. ap. Prifcian. 8, de uitgang der eerfie perfoon for en fer zal misfehien niet voorkomen, echter wordt for aangehaald, Diomed. 1. Not. Hei Participia, t. Fans, Plaut. Perf. II, 1,7: Dativ. fanti, Virg. Aen. VI, 46: Accufat. fatitem, Prop. III, 5, i9. 2. Fandus, a , um, 1. e. dieendus: ook heet fandum

a) het geen gezegd wordt, het gerucht, het praaien der menfchen, bij voorb. fando audire, Cic. Quint. 22, en Nat. D. I, 29. Sil. X, 484: fando adcipere, Plaut. Amph. II, 1, 41, i. e. door het gerucht hooren, of bloot hooren: dus ook fando veftras contigit aures Hippolytum — occubuiire eet., Ovid. Met. XV, 497:

b) i. q. fas het recht, het geen recht is, bij voorb. deos rnemores fandi atque ncFandi Virg. Aen. I, 543 (547), i. e. uftl & nijufti: cl. Catull. LXI1I, 406.

Fatus, a, ma, (a) Me ge/prokenheeft, xomt dikwijls voor. (b) het geen gejpro:en of te vooren gezegd is : van daar Fatim, Subftantive, het geen gezegd of ■ejproken is; bijzonder de uitfpraak we'ens het toekomflig lot, bij voor-;, de uitbraak van Jupiter, Virg. Aen. IV, 614: Us ook fata deum, Ibid. VI, 376: vaiz et Orakel, Liv. XXIX, 10: dus ook i\yllina fata, Cic. Cat. III, 4 en 5 : bijonder der Paree n. Ook het verlangen :r Goden, bij voorb. fata implere, Liv. III, 6 extr., i. e. doen, het geen de oden verlangen: Jovis, Virg. Aen. IV, 14, zie hier voor: yan daar (1) de yam od of liet noodlot vastgeftelde orde en eks der dingen, het noodlot, onvermij' lijk let, waar yoor ook fomtijds bejiemn(pg ■zegd wordt, bij yoorb. fi fatum tibi eft con-

Sluiten