Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FORABILIS—FORAS

ronvalefcere, Cic. Fat. 12: Si Daphitae fatum fuit, dc equo cadere, Ibid. s, als het zijn noodlot dus medegebracht_ heeft, als het hem zoo befchooren is: Stoici omnia fato fieri dicunt, Ibid. 15: pracdicere, quo quisque fato natus fit, Cic. Div. I,t: fuit hoe five meum five reip. fmirn, ut eet., Cic. Balb. 26: quonam meo fato fieri dicam , ut eet., Cic. Phil. 1, 1 : ea conditione atque eo fato fe 111 his terris collocaqtm cfl'e, Cic. Font. 16: ad arma fato nefcio quo mifero compulfi, Cic. Mare. 5: qua in re fingulari fum fato, Caecin. in Cic. Ep. ad Div. VI, 7 : quo fata trahunt retrahuntque fcquamur, Virg. Aen. V, 709: fic erat in fatis, Ovid. Faft. 1,481, i-e. het was mede onder het noodlot, het fiondl dus in het Boek des noodlots, het was zoo befchooren: fuit in fatis meis, Ibid. Pont.

I, 7, 56. Trift. III, 2, X. Not. Men geloofde , dat elk zijne fata heeft, en als er twee met elkander vochten, dan overwon hij, wiens fata majora waren, bijvoorb. Troia fata vkfta, Ovid. Her. 1,28: contraria, Virg. Aen. I, 239 (243). VII, 293. (2) elk lot, toeval, goed of kwaad, bij voorb. bona fata, Horat. Carm. Saec. 27: fatum arcetfite i. e. victoriam, Luran. VII, 252: quibus confido fatum impendere aliquod, Cic. Cat. II, 5: paria , Virg. Aen. X, 740: fingulare, Caccin. , zie hier voor: ook kan het één en einder uit n. I. hier toe gebracht worden: bijzonder (3) de dood, en wel bijzonder de natuurlijke, de tijd en ftond, die tot lierven gefield is, het bejlemde levensdoel, bij voorb. fato obirc, Tacit. Ann. VI, 10: praeter naturam practerque fatum, Cic. Phil. 1,4: maturius exftingui quam fato fuo , Cic. Coel. 32 extr.: nee fato nee morte peribat, Virg. Aen. IV, 696: fato revoluta in veterem figuram, Ibid. 449, i. e. door den dood, met den dood: ook elke dood, ook de geweldige, Ovid. Met. VI, 642. Virg. Acn. XII, 507: van daar proferre fata, Virg. Ach. XIl, 395 , het leven verlangen; eigenlijk den dood uitflellen, opfchuiven: van daar de asch van een verbrand lijk, Propert. I, 17,

ii. (49 het geen, waar op het noodlot van eenen Staat rust, bij voorb. Ilio tria fuifl'e fata, Plaut. Bacch. IV, 9, 29: Herculis fagittae, quacTrojac fatum fuere, juftin. XX, 1 extr.: van daar het geen'anderen ongelukkigmaakt; zoo noemt Cicero, Sext. 43 , Gabinius en Pilo duo reip. paene fata. Not. De Fata als Godheden , Infcript. ap. Gruter.. p. 98. n. 1 en 2.

FORABILIS, e, het geen doorboord kan worden , dborboorbaar , doordringbaar , Ovid. Met. XII, 170.

FORAGO, ïnis, f. i. e. filum, quo tcxtrices opus diurnum diftinguunt; Feft.

FORAMEN, ïnis, n. 1) een geboord gat. a) elke kleine opening of gat, bij voorb. parietum & feneftrarum , Colnm. IX, 15 poft med.: tibia foramine paueo , Horat. Art. 203: fiftuia ftridente foramine ejaculatur aquas, Ovid. Met. IV, 122: crebris foramimbus excavare, Plin. H. N. ~ XI, 28 : foramina illa , quae patent ad animum a corpore i. e. auriuni, oculorum eet., Cic. Tufc. 1, 20 : neque porta, neque ullum foramen erat, qua posfet eruptio fieri, Sifenn. ap. Non. 2. n. 348: terebra foramen facere, Celf. VIII, 4 puft med.

FORAS, Adv., na buiten, buitenwaards, bij voorb. 1 foras, Plaut. Caf. H, 2, 36, ga na buiten: edere fe foras, Plaut. Mil. II> 3» 37: °f promere fe foras, Terent.

FORBEA—FÓRÈM

Eun. III, 5, 51, f't, buiten gaan: Efferre foras, Cic. Phil. X, 3, e. uitdragen, bekend maken, waar voor foras deferre flaat, bij voorb. foras delatum', Terent. Phorm. V, 7, 65, ten zij men met Bentley elatum lezen moet: foras dare, Cie. Att. XIII, 22, uitgeven, bekendmaken, bijvoorb. fcripta: foras proferre, Cic. Coel. 23: projicere, Cic. Cat. II, 1: ferre, Virg. Ecl. VIII, 101: effugere, Terent. Eun. III, 5,3: cxcludere, Ib. I, 2. 18: ambulare, Plaut. Epid. I, 2, 62: vcniere i. e. aan andere vreemde lieden, of buiten 'shuis, Ibid. Stich. I, 3,66: dus ook locitare agellum foras i. e. aan vreemde lieden, Terent. Ad. V, 8, 26: a) met het Subftantivum, bij voorb. foras gerones, Plaut. Truc. II, 7, i, uitdragers, b) voor foris, 'bij voorb. cum Pomponia foras coenarct, Cic. Q. Fr. III, 1 poft med. p. 1106. Ed. Erneft., ten zij men misfehien foris lezen moet: doch, er ftaat ook foras coenare, Petron. 30. Not. Dit woord fchijnt de Accufativus van het ongewoone forus, a, um, of forius, a, um, 1. e. externus, te zijn, feil. partes, zoo als foris buiten enz., de Ablativus feil. partibus daar van fchijnt te zijn ; zie Fons op hel einde en Forius. FORBEA (tpt{£n«j, ae, i. e. cibus, Feft.

FORCEPS, ïpis, m. & f. 1) eene tang, bij voorb. curva forcipe, Ovid. Met. XII, 277 : forceps ducendus, Celf. VII, 5 : ad id facio forcipe, Ibid. 12. n. 1: forcipe telum excipere, Celf. VII, 5 : forcipibus dentes evellere, Lucil. ap. Charif. 1 : cf. Ovid. Met. fX, 78. Not. ook voor forfex, bij voorb. forcipibus (barham) metit tonfor, Martial. VII, 94, 12: doch, andere Edd. hebben forlicibus. 2) het geen aan eene tang gelijkvormig is, bij voorb. de fchaarenvan een kreeft, fcorpiöen enz., bij voorb. van kreeften, Plin. H. N. IX, 31: van kevers, Ibid. XI, 28: ook eene foort van ftagörde, anders forfex genoemd, Cato ap. Feft. in Serra.

FORCTfS, e, en FORCTUS, a, um, i. e. bonus, Feft. in Horctutn cn Sanates.

FORDA, zie Fordus. FORDICIDÏCM, i, a. de opoffering van eene dragtige koe, Vair. L. L. V, 3, en

FORDUS, a, um, dragtig, bij voorb. bos forda, ook enkel forda, Ovid. Faft. IV, 631. Colum. IV, 24: cf, Feft. in Fordicidiis.

FOREM, es, et, Plur. forent, i.e. i)esfetB, efl'es eet., ik was, ik zou zijn, bij voorb. quam vere de eo foret judicatum, Nep. Lyf. 3 : vellem, haec vana forent, Salluft. Jug. 24 (26): fi forem ferva nata, Plaut. Rud. 1, 3, 37: cuin multa mentitus foret, Phaedr. III, 10, 13: ni celfatum foret, Liv. XXXI, 16 extr.: cf. Nep. Hann. 7. Phaedr. V, 5, 9: ook met het Particip. in urus, zie op het einde. -2) fcuflem, es eet., bij voorb. terra roganda foret, Ovid. Her.VI, 144: eok kan men uit het voorgaande hier toe brengen, Liv. XXXI, 16 ex*'. Nep. Lyf. 3, en Hann. 7. Phaedr. III, 10, 13. V, 5, 9. Infinit. Fore (1) i.q. futurum esfe, -zullen zijn, alwaar het volgends de Grammatica zoo wel het Praefens als het Imperfectum v oor ft elt, bij voorb. nuntiabant, non fore dieto audientes, Caef. B. G. 1, 39: fore dicis ï ego vero effe jam judico, Cic. Or. III, 6t extr.: habendos fore, Liv. XXXVH,39; non duRrr

FORENSIS —FOrvICARIUS 497

bito fore plerosque cct., Nep. Pracfar, (2) zullen gefchieden, bij voorb. ratus » fore, ut eet., Salluft. Jug. 110 (11H) in.: nullum (motum) fore, Cic. Atr. III, 13: fpem habeo, nihil fore ahter ac decea't, Cic. Att. VI, 3 extr., alwaar het het Praefens is: fcripferasfore, ut — ageretur, Cic. Att. III, 13 in., alwaai het het Imperfectum is. (3) voor effe, bij het futurum Particip. in urus, bijvoorb. libenter id facturos fore, Liv. VI, w-'extr.: fore venturum, Cic. Att. V, 2t poft init., alwaar Erncfti nogthans fore in haskjens heeft gefloten, omdat hij niet gelooft, dat Cicero zoo gezegd heeft. Dus ftaat ook forem, es, et eet,, met het Particip. in urus, bij voorb. laudaturi forent, Nep. Att. 10: expulfurus foret, Liv. XXV, 24 ante med.: forent paffuri, Liv. XXVI, 26 extr.: vifuri forent, Liv. XXIX, 3 extr.: quo mifluit forent, Liv, XXX, 2: cafurum foret, Liv. XXXV, 13 extr. Zoo ftaat fore voor efie achter het Verbum poffum , bij voorb. fi quid poffit remedii fore, Geil. XV, i ante med.

FORENSIS, e, 1) de markt betreffende, . daar op te vinden, bij voorb. turba of faCtio, Liv. IX, 46, i. e. fiechte, arme lieden, die altijd op de markt te vindeti waren, en zich ligt van onrustige Gemeentsmannen lieten omkopen, om bii alle voorjlellen te verfchijnen, die met hunne toeftemming te verëercn, en in de Comitia hunne ftemmen naar derzelver verlangente geven, en dus in kwaade wetten te bewilligen. 2) buiten het huis te vinden, gebruiklijk, bij voorb. veftis forenfis, een kleed, dat men alleen gebruikt, om uit te gaan, een zondagskleed, bij voorb. veftitus forenfis , Liv. XXXIII, 47 extr.: ibrenfia (veftiraeiita) & ealceos eet., Sueton. Aug.'73: a natura comparata eft opera mulieris ad domefticam diligentiam , viri ad cxercitationem forenfem & extraneam, Colum. XII. Praefat. ante med.,

1. e. buiten 'shuis. 3) de markt als eene gerichlsplaats betreffende, het gericht be-s treffende, daar op betrekking hebbende, aldaar bruikbaar, gerichtelijk, bij voorh. caufa , Cic. N. D. III, 4 in. Quint. XII,

2, 25: opera, Nep. Alcib. 3: genus dicendi, Quintil. II, 10: Rhetorica, Cic. Fin. II, 6: Mars i. e. eloquentia, Ovid. Pont. IV, 6, 29 : homo, Quintil. V, i« ante med.

FORES, zie Foris, Subftant.

FORFEX, ïcis, f. 1) eeneJ'chaar, Colum.' XII, 43. Celf. VII, 16 en 21. Calpurn. Ecl. V, 73. Martial. VII, 44, iï. 2) wegens de gelijkenis zekere foort van ftagörde, Veget. de re Milit. III, 18 en 19. Geil. X, 9. Cato ap. Feft. in Serra.

FORFICOLA, ae, f. 1) een fchaartjen, eene fchaar, als men verkleinend fpreekt, Plin. H. N. XXV, 5. 2) de fchaaren aan kreeften en foortgelijke heeften, Plin. H. N. XXXII, 11 nied.

FORI, zie Forus.

FORÏA, ae, f. eene ziekte der verkent* misfehien de loop, Varr. R. R. II, 4.

FORÏCA, ae, f. geheim gemak, fekrect, Juvenal. III, 38: is misfehien eigenlijk «««Adject. feil. fellaya» foricus, a,um, i. c. externus.

FORICARIUS, a, um, (waarfchijnlijk van forica ), zich met geheime gemakken bezig houdende, daar toe behoorende: van daar Subltantive, foricarius feil. conductor, i. e. die dezelven huurt op pacht, PandeCt. XXII, i, 17 poft med.

FO-

Sluiten