Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

493 FORICULA— FORIS

FORTCÖLA, ae, f. venjlerbank, Varr. R. R. I, 59.

rORINSËCUS , Adv. , 1) van buiten , Colum. Vlü, 3. Plin. H. N. XIII, 22. Apul. Met. III. p. 138 Elm. 2) na buiten , voor foras , bij voorb. abjicere , Apul. Met. IX poft med. p. 230 Elm.

FOR1ÖLUS, i, m. de loop hebbende, Laber. ap. Non. 2. n. 352.

FORIS, is, f. 1) eene deur, komt dikwijls in Singulari voor, bijvoorb. Plaut. Amph. I, 2, 34. Terent. Ad. II, 3, 11. Liv. VI, 34. Ovid. Her. XII, 150 : forem claudere, Ovid. Art. III, 228. Cic. Tufc. V, 2q : of obdere i. e toedoen , Ibid. Pont. II, 2, 42 : exclufus fore, Horat. Sat. I, 2, 67 : doch, meermaalen in PIurali, dewijl de deuren der Ouden uit twee deelen of vleugels bejlonden : van daar Plautus Capt.'IV, 2, 51 fores ambas zegt , en Molt. II, 2, 23 hafce ambas S:if. fores: van daar fores cubiculi, Cic. Tufc. V, 20 : fores portarum objicere, Liv. 1, 14 extr. : dus ook fores portae objicere , Liv. XXVIII, 6, i. e. toedoen: dusook obdere fores, Ovid. Fait. I, 281 : fores aperire, Terent. Ad. II,

I, 13- Cic. ad Div. XIII, 10: effringere, Terent. Ad. I, 2, 8: pellere, daar aan [laan of kloppen, Ibid. IV, 5, 4: pultare , Ibid. Heaut. II, 3, 34 : extra fores limenque carceris, Cic. Tufc. V, 28 : van daar foris crepuit, Terent. Ad.

II, 3, 11. Plaut. Amph. I, 2, 34, de deur maakt geraas, men klopt eraan, d.i. daar komt iemand buiten. 2) Tropisch, bij yoorb. artis fores aperire , Plin. H. N. XXXV, 9 : rerum fores aperire, Ibid. II, 8: quafi amicitiae fores aperire, Cic. ad Div. XIII, 10: doch het laatjle behoort, wegens quafi meer tot n. 1. 39 elke toegang , ingang, opening, bij voorb. equi, Cic. Off.'III, 9 : naffarum, Plin. H. N. XXXII, 2: Labyrinthi, Ibid. XXXVI, 13. Not. forum voor forium, Plaut. Curc. I, 3, i.

FORIS, jlaat Adverbialiter , maar is waarfchijnlijk eigenlijk de Ablativus (zie op het einde) waarom de laatjle [ijllabe lang is, bij voorb. Lucret. II, 158 en 1044: 1) op de vraag, waar f builen, d. i. buiten eene plaats, uitwaards, het zij waar het wil, bij voorb. intra valium & foris, Nep. Dat. 6, i. e. extra: bijzonder a) tuiten, d. i. huiten 's huis , ,bij voorb. foris coenare, Plaut. Men. 1,2, 17. Petron. 10. Martial. II, 53, 3 : o[ cocnitare, Cic. ad Div. VII, 16, buiten 'shuis, buiten eten, d. i. bij iemand te gast zijn: das ook foris funt i. e. apud alios , Terent. Eun. V, 4, 12: dus ook Protogenem foris effe , Plin. II. N. XXXV, 10 ante med., i. e. niet t'huis is : of wanneer effe voor edere jlaat , te gast is: foris fapere , Terent. Heaut. V, 1, 50, i. e. bij andere lieden, of ook ten voordgels van anderen: b) buiten, d. i. buiten het raadhuis, Cic. ad Div. 1,9. §. 55. c) buiten , d, i. buiten de ft ad of den ftaat, buiten Rome, bij yoorb. exfpeftatus foris, Cic. Suil. 5 : otium domi ac foris habuere , Liv. III, 65 in. : grave bellum foris J gravis feditio domi eet., Liv. VI, 11 in.: domi dignitatem & foris auftoritatem, Cic. Rofc. Am. 47 : Parva funt . foris arma, mfi eft confilium domi, Cic. Off. 1, 22: yan daar misfchbtn for £ effe, Cic, Pd. 6, builen zijn 'huis en goed zijn, uit hoofde van fchulden, d. i. het verloren hebben. Not. a foris , van buiten, Phn. H. N. XVII, 24 polt med. 29 op de vraag van waar? uitwaards, d. i. van buiten, van andere lieden , bij voorb. fo-

FORIUS—FORMA

ris petere, Cic. Fin. III, 7. Horat. Sat. I , 10, 29: foris ad fe delata, Cic. Parot. 14 : foris venire, Lucret. V, 544: foris adfumere argumenta, Cic.. Or. II, 39: telum foris fiagitare, Nep. Dion. 9. 3) op de vraag, waar heen ? d. i. na buiten , hij voorb. mortuum foris ferre Plin. H. N. XXV, 3: foi 'is emittere fatuntatem , Ibid. X, 33 : dus ook misfehien foris effutire, Terent. Phorm. V, 1, 19 : doch dit kan ook heeten, huiten, bij vreemde lieden, Not. Nadien in foris de laatjle ftillabe lang is, nadien men a fons vindt, (zie hier yoor ) ; nadien het dan buiten, dan uitwaards, dan na buiten, dan van buiten, betekent, zoo ontftaat het gegrond vermoeden, dat foris de Ablativus Plur. eigenlijk is, of van forum (i. e. flruat, zie Forum n. 1) , of liever van hel verhoren geraakte Adjectivum Forius waarvan Foria komt ) en contrafte Forus, a, um, i. e. externus, extraneus, uitwaards te vinden enz,; gevolglijk jlaat foris voor a of in foris partibus aan de buiten zijde enz. , gevolglijk foras yoor ad partes foras. FORIUS, a, um, en contracte FORUS, a, um, (ook Foris, e, van daar Foris Subftantive, de deur, eig. pars exterior, pars extra nos) , uiterlijk, uitwaards, komt niet ligt voor: van daar 1) Foria, feil; fella i. e. geheim gemak enz.: Foria, o.um, i. e. excrementa. 2) Forum

I. e. het geen buiten ons gebouw te vinden is, d. i. ftraat, markt : Foris ( Ablat. ) buiten enz. : Foras na buiten, zie Foris op het einde.

FORMA, ae, f. de gedaante, het uiterlijk aanzien of voorkomen, bij voorb. corporis , Cic. Fin. V, 12 : literarum, Cic. Nat. D. II, 37: figura formae, Cic. Nat. D. I, 32: fpecies formae, Cic. Tule. V, 39 : torma agri, Horat. Ep. I, 16, 4: tormae igneae i. e. ftellae, Cic. Nat. D.

II, 40: van daar 1) de fraaie gedaante, d. i. fchoonheid, Cic. Tule. V, 21. Torent. And. II, 5, 17. Eun. III, 5, 18. Ovid. Met. I, 430. Ibid. Art. II, 113. Ibid. Her. XV, 31. 29 een beeld, afbeelding , figuur, bij voorb. formas virorum, Cic. Mil. 32, beelden, fchildevijën: formas , quas in pulvere defcripferat , Liv. XXV, 31, i. e. mathematijche figuuren: aena, Prop. IV, 2, 61: agri, Horat. Ep. I, ié, 4 : ook de vorm, d. i. waar naar iet gevormd wordt, bij yoorb. ten fekoenmakers leest, Horat. Sat II, 3, ioó: tbrmishuxcis cafeum exprimere, Colum. VIII, 7: eok ftaat forma animalis voor animal, bij yoorb. formae lupórum i. e. Iupi, Virg. Ecl. Vil, 18 : formae fera. rum, Ovid. Met. II, 78: deorum, Ibid. 1, 73 "• doch men kan er ook gcflalten bij denken, en ook gedeeltelijk in de overzetting behouden: yan daar Tropisch, beeld, fchets, befchrijving, bij voorb. rerum pu- • blicarum, Cic. Tufc. II, 15: reip., Cic. ad Div. II, 8 : officii, Cic. Off. I, 29. 3) de foort, d. i. a) de fpecies in de logica, Cic. Top. 3 en 7. Cic. Fin. V, 4. Virg. Acn. VI, 615 en 626: b) de foort, 1 d. i. de yerfcheidenheid van het Genus en der declinattcn , conjugatiën enz., Varr. L. L. VIII, 49. Quintil. X, 1, 10. c) de aart en wijze, gejleldheid, gefchapen- ' hcid, bij voorb. rei, Liv. XLI, 3 in.: una lorma, Cic. Or. 11. 4) de ftempel, bij munten, bij voorb. numus, cui publica forma cit , Quintil. I, 6 (10): facta cc diCta una forma percuffa fint, Senec. Ep. 34. 59 een canaal of pijp van water of van eene waterleiding, Pandect. J VU, 1, 27. Frontin. aquaed. artic. 75, Ook de waterleiding zelve, Fiouün. aquaed. I

FORMACEUS - FORMICULA

126. Not. forma i. e, de hitte (ferventia 9, Feft. in Formucales. FORMACËUS, a, um, i. q. latericius, bij voorb. panes , Plin. H. N. XXXV, li m. ' *

FORMALIS, e, misfehien 1) uiterlijk, bii voorb. pretium, Pandect. XXXV, 2, 62 bij voorb. der fchoonheid enz.: doch, het kan ookz'jn, gewoonlijk, dewijl praefens pretium er aldaar tegen gefield wordt. 2) volgens de gewoone vorm, behoorlijk, bij voorb. temperatura aeris, Plin. H. N. XXXIV, 9 , ten zij het zij i. q. ad for- mas taciendas, zoo als er te vooren ftaat tabularis forma i. e. ad tabulas aereas taciendas. 3) vorm/ijk, volgens de behoorliike vorm , volgends de formaliën, de gewoonten of wetten, plegtig, ftaatlijk, 'gewoonlijk, bij voorh. pretium, Pandeft., zie hier yoor: vandaar misfehien 4) cpiftola formalis i. c. een plcgiige brief van den Keizer , wanneer hij als Landsheer fchrijf;, wanneer het geen bijzondere eigenhandige blief, maar met hooffchen flijl aangevuld is, een opene brief enz. Sueton. Dom. 13.

FORMAMENTUM, i, n. het geen, waar door iet eene gefialte verkrijgt, de vorming, gefialte, bij yoorb. principiorum » Lucret. II, 3i8. "f, '■ •

FORMASTER i. e. (misfehien) die gelooft fraai te zijn, of fraai, als men verachtelijk fpreekt, Titinn. ap. Feit. in Obftrudant.

FORMATfO, onis, f. vorming, ontwerp; fchets, bij voorb. columnae, Vitruv. IV, 1: oblonga fori formatione, Ibid. V, 1: formationem puto probandam, locumimprobandum, Ibid. II Prooem.: vandaar 'Tropisch, bij voorb. morum , Senec. Ep» 117 poft med.

FÖRMATOR, oris, m. die iet vormt, aan eene zaak eene gedaante geeft, bij voorb. univerfi , Senec. ad IIclv. 8 : van daar Tropisch, bijvoorb. aiiimi, Colum. I Praef. §. 4: morum, Plin. Ep. VIII,23: ingeniorum, Quintil. X, 2 poft med.

FORMATORA, ae, f. vorming, Lucret. IV, 556.

FORMICA, ae, f. eene mier, Cic. Nat. D.III, 9. Virg. Georg. I, i36 en 380. Ibid. Aen. IV, 402. Ovid. Met. Vil, 625. Plaut. Trin. II, 4, 8. van derzelver naarstigheid, even gelijk de bijen handelt Plin. H. N. XI, 30 : ook zegt hij Ibid. 31 , dat in Indien de mieren goud. uilgeven: van daarlnda cavisaurum mitmit formica metallis, Prop. III, 11, 5; cf. Mela III, 7 , die hetzelfde verhaalt. Heiden, Mela en rPlinius zeggen, dat zij van de grootte yan honden of wolven waren.

•ORMICATÏO, önis, f. list hevig jeuken van de huid, als of er mieren op rond lopen, waarmede kleine puistjens gewoonlijk verzcld gaan , Plin. H. N. XXVUI, 7 in.

"ORMTClNUS, a, um, van mieren, bij voorb. gradus , Plaut. Men. V, 3, 11, 1. e. mierenftap.

"ORRIfCO, are , gelijkvormigheid met de mieren hebben : van daar 1) jeuken, als of de mieren op rond lopen , bij voorb. cutis , Plin. H. N. XXX, 12. 29 fuel, maar tevens zwak , zich bewegen , bij, voorb. venarum percuffus Lorrnicans , Plin. H. N. VII, 51.

'ORMICOSUS, a, um, vol mieren, bij, voorb. arbor, Plin. H. N. X, 74.

'QRMICÜLA, ac, f. eene mier, als men

VIT-

Sluiten