is toegevoegd aan je favorieten.

Lexicon Latino-Belgicum auctorum classicorum.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TERRIFICUS - TERRITORIUM

Sio: viros ululatibus fcmineis, Stat. Theb» VII, 678.

TERRÏFÏCUS, a, um , fchrikbaar, fchrik.

verwekkend, fchriklijk, hij voort, varcs, Virg. Aen. V, 524 : caefaries, Ovid. Mt t. I, 179: eriftae. Lucret. II, 632: facrum. Val. Fl. I, 786.

TERRÏGËNA, ae, m. en f. uit of van de aarde schoren, een zoon, of kind der aarde , tij voorh. a) van den allsrcsrflen mensch, genus terrigensrum, Lucret. V, 14K. b) de Giganten heeten Tcrrigenae, , omdat de aarde hunne moeder was, iij voorb, Typlioeus terrigena exercitus , Sil. IX, 3o5: monftra terrigeuum Gigar.tum, Val. Fl. II, 18. c) de menfchen, door Talon uit jlangentanden (drakentanien) gezaaid, heeten terrigenae, bij voorb. terrigenae fratres, Ovid. Her. XII, 99, en Ovid. Mer. VII, 141. Zj heeten ook terrgenae feri, Ovid. Met. VIT, 36; ook terrigenae populi, Ovid. Her. VI, 35, d} de met fchen van Kadmtis uit flangentanden gezaaid, heeten ook urrigehae fratres, Ovid. Met, III, 118. et) de flak (cOchlea) hettTërrigeiia, herbigrada cet., Cic. Div. H, 64 e poëta; doch dit kan tok tot Terrigenus, a, um, behoren, f) de flang heet terrigena, Sil. VI, 524 (yan welke Ibid. 152 jlaat monftrum ira Telluris genirum), en Stat. Tlieb. V, 506.

TERRÏLÖQUUS, a, um , fchriklijk fprtkende, bij iootb- diéta terriloqua vatum, Lucret. 1, 104.

TERRIPAVIUM, i, n. het faan op de aarde: uit dit woord zal terripudium, en eindelijk tripudium ontftaan zijn, gelijk Cicero gelooft, Div. II. 34.

TERRIPUDIUM, zie f erripavium.

TERRISÖNUS, a, um, fchriklijk klinkend, of luidend, bij voorb. ftridor, Claudian. de Stilich. I, 109.

TERRÏTÏO, onis, f.fchrikking, verfchrikiing ,. Pande<a. XLVII, 10, 15 poft med.

TERRÏTO, are, i. q. terreo, iemand verfchrikken, of doen fchrikken, ontflellen, hij voorb. urbes, Virg. Aen. IV, 1S7: pavor territat mentem animi;Plaut.Epid. IV, 1,4: aliquem morte, Ibid. Bacch. IV, 8, 44: aliquem territar'e metu, Caef. B. G. V, 6: fupplicio, lbid. VII, 63: minis, VIII, 28: coelumque trifulca territat omne coma (fcil.<fe blikfem ), Stat. Theb. III, 322.

TERRITORIUM, i, n.'de akker, die tot de ftad behoort, derzelver gebied, of rechtsgebied, territoir, bj voorb. coloniae, Cic. Phil. II, 40 : Neapolitanum , Pallad. in Mart. 10 ante med.: extra territorium abire, Piin. H. N. XXIX, 6: colonis locus communis, qui prope oppidum relinquitur, territorium; quod maxime teritur, Varr. L. L. IV, 4, (welk laatfte eene gril is) : territoriui-u eft univerfitas agrotum intra fines cujusque civiratis, quod ab eo diétum quidam aiunt, quod magiftratus ejus loei intra eos fines terrendi, id eft fubmovendi jus habent, Pandeét. L, 16, 239 extr., welke Etymologie eene hersJet. fchim is: dus leiden het ook anderen van terreo af, bij voorb. territorium eft,quidquid hollis terrendi caufa conltirutum eft, Frontin. de limit. p. 42 Goef.: praemenfumque quod univerfis fiiffeéturum videbatur folum, territis fugatisque inde civi.bus, teiritoria dixerunt, Sicul. Flacc. da condit. agror. ibid. p. 3. liet is waarfchijnlijk eigenlijk een Aajectivum (gelijk de uitgang leert), van terra, dat vervolgenas Subllai.tive jlaat: waarom de Etijtaologie vau Servius ad Virg. Aen. V, 735

'TERRITUS.— TERROR

van terra en bos (als 't ware terribovïum) eene grap is. Daar zjn meer uitgangen, dee wij niet verklaren kunnen, en die menigmaal enkel tot nuttige verlenging van een woord dienen mogen, bij voorb. in meditullium , teftimonium, acrimonia cet. Wat heet tullium, moniutn, roonia cet.

TERRÏTUS, a, um, zie Terreo.

TERROR, oris, m. O ket fchrikken, fchrik , bij voorb. mortis , Cic. Fin. V, 11: rerrorem alicui iniicere, Cic. Fin. V,

II, of inferre, Cic. Mil. 26. Caef. B. G. VII, 8, af adferre, Liv. VI, 42, ef facere , Liv. X , 1, i. e. fchrik aandoen, veroorzaken: ook incutere (misfehienwan. neer het hevig is), Liv. III, 4. Ook aliquem in terrorem coniicere, Liv. XXXIV, 28. Ook efle alicui maximo terrori, Salluft. Jug. 7, i. e. zeer fchriklijk zijn: Terrorem fui facere, Liv. IX, 41, zich fchriklijk maken of vrees tegen zich veroorzaken : ook jacio terrorem, bij voorb. terrr.res jacere , Cic. Att. II, 23, i. e. fchrlkkej-.de woorden en dingen zich laten verluiden: denuntiare, Ibid.: alicujusminis & terrore coinmoveri, Cic. Font. 11: terrore coaéhis, Cic. Off. III, 31 extr.: percuffus, Lucan. I, 487: adtonitus,Ib.

III, 98: exanimatus, Coel. sp. Quintil.

IV, 2 extr.: pallens terrore, Ovid.-Art. III, 477: terrore pavens, Ibid, Faft. IV, 271: vulgi peétora terror habet, Ib, III, 2821 rerror adtonitos tenet populos, Senec. Troad. 1136: expers terroris Aehilles, Catull. LXIII, 338, zonder fchrik, d. i. die niet verfchrikt: paucos, ad terrorem ceterorurn, adfici verberibus jubet, Tacit. Ann. I, 21, tot fchrik van anderen, om anderen te verfchrikken: vultum componens ad fpeculum in omnem terrorem ac formidinem, Sueton. Calig. 50, i. e. maakte, dat de gebaarden fchriklijk uitzagen, gaf hun een fchriklijk en vreeslijk aanzien: in terrore magno efle, Liv. XXXIV, 32, in groote fchrik zijn, zeer vreezen: dus ook terrorem habere ab alique of ab aliqua re, Ibid,, i. e. ontfleld zijn wegens enz. , vreezen wegens enz.: ratus terrore ceterarum ( urbium ) expugnatarum — non ultra in pertinacia manfuros, Liv. XXXVI, 10 : gelidoque comae terrore rigebant, Ovid. Met. III, 100: verders Tantus terror incidit exercitui, Caef. B. C. III, 13, overviel het leger, beving het leger: dus ook tantus terror invaferat, Ibid. I, 14. Verders terror externus, Liv. III, 10, i. e. fchrik wegens buitenlandfche vijanden: dus ook fervilis, wegens de flaven, Ibid. 16, en peregrinus, Ibid., i.q. externus,wegens buitenlandfche vijanden : Teiror fuus, fchrik , die men veroorzaakt, Auét. B. Afr. 32: anders kan het ook zjn, dien men ondervindt. Ook volgt er ne op, bij voorb. ingens terror erat, ne cet., Salluft. ap. Non. cap. 2 n. 534 of p, 963 Ed. Cort. Salluft., i. e. groote fchrik (vrees) dat enz. Not. Dikwijls kan men het ook door fchrik of vrees vertalen, bij voorb. fi tantus mentes habet terror, Virg. Aen. XI, 357, i. e. als gij zoo zeer vreest voor Turnus : hier toe behoort uit het voorgaande terror erat, ne cet,, terrorem fui facere, tenor externus, fervilis, peregrinus, waar ook vrees past: dus ooi terror belli, de fchrik, dien de oorlog of het denkbeeld van oorlog maakt, bij voorb. totius anni fruétus uno belli terrore amittitur, Cic. Manil. 6; men kan het ook vertalen fchriklijk bericht van den oorlog: terror major folet effe periclo, Ovid. Her. XVI, 349. Fan daar arcanus terror, Tac. Germ. 40, geheime fchrik,

' PPPPPPPPPa

TERROSUS—TERTIO 1583

geheime vrees, ie weten, godsdienfllge. a) het fchrikken, d. i. eene fchriklijke zaak, fchriklijke dingen, bij voorb. terra repleta eft trepido terrore, Lucret. V, 41: dus ook bis excifos terrores reipublicae, Vellej. II, 4, i. e. Karthago en Numantia.

TERRÖSUS, a, nm, volaarde, aarddchtig, bij voorb. arena,Vitruv. 11,4: moates, Ibid. II, 6 extr.

TERSUS, a, um, zie Tergeo.

TERSUS, us, m. het afwis fen, afpoelzenf, Zttiverirg, afwrijving, bij voorb. lintea terfui profer, Apul. Met I prope fin. p, 113, 2 Elm., i. e. om af te wisfen, af te drogen, af te veegen: petifle aKquid terfui dentium, Ibid. Apol. eenige bladzijden na het begin p. 277, 2 Elm., tot fchoonmaking der tanden, bij voorb. tandpoeder,

TERTIADECIMANUS, a, um, nit de dertiende klasfe, Legioen enz,, bijvoorb. tertiadecimani , feil. milites , Tacit. Hift. IJl, 27, i. e. foldaten van het dertiende

Legioen,

TERTIANUS, a, um, 1) van de derde klasje, Legioen enz., bij voorb. tettiani, feil. milites, Tacit. Ann. XIII, 18. Hift. III, 24, i. e. van het derde Legioen. 2) yan drie dagen, van de koorts, bij voorb. febris tertiana, Cic- Nat. D. III, 10; ook eenvouwig t.rtiana, feil. febris, Celf.III, 5. Petron. 17. Plin. H. N. XXII, 25 poft med., i. e. de derdendaagfche koorts.

TERTIARIUS, a, um, een derde beyattende, bij voorb. ftannum tertiarium, Plin. H. N. XXXIV, 7, i. e. dat twee deelen zwart, en het derde wit tin bevat: van daar tertiarius, Subltantive, (gelijk outttarius} het derde deel van eens maat cf gewigt, bij voorb. fulfuris, Caro R.R.95: dus zal sok tertiarius zijn, 1) het acht tal, omdat het behalven zes, nog een derde daarvan bevat , Vitruv. III, 1 med. 2) eene driehoekige figuur van het gebint aan een dak, Vitruv. IV, 7 ante med.

TERTIATÏ©, önis, f. is wanneer men iet driemaal of ten derdenmale doet; het herhalen ten derdenmale , driemalige herhaling ; van daar het geen mer, driemalen of ten derdenmale herhaalt, bij voorb. plurimum refert non mifcere iterationem (i.e. fecundam olei prefiuram) multoque mi. nus tertiationem (i. e. tertiam prefruram) cum prima prefiura, Colum.XII, 50med. §. II: van daar het driemalige ploeger., of ploegen voor de derde keer, fchijnt niet voortekomen,

TERTIATO, Ablat. ten derdenmale , zie Tertio.

TERTICEPSOS, i. q. triceps, haalt Varro L. L. IV, 8 poft med. uit de facra Argeorum aan, alwaar Scaliger terticeps leest.

TERTIO, are, iet driemaal of ten derdenmale herhalen, bij voorb. verba tertiata femihianli voce fubftrepens, Apul. Met. V poft med. p. 166, 40 Elm., ofp. 221 Vulcan.,_ van de angstvalligfprekendePij. che, d. i, woorden, die men driemalen herhaalt, gelijk bij lieden gefchiedt, iie in vrees en angst zijn: en de woorden niet kunnen uitbrengen, en bij elk woord offyllabe ftotteren, men kan het ook vertalen , jiottexende. Van daar Tertiato (Abl.) ten derdenmale of driemaal, bij voorb. verba dicere, Cato ap. Serv. ad Virg. Aen. III, 314, i. e. driemaal zeggen,d.i.ftotteren. Van daar driemaal of ten derdenmale ploegen, bij voorb. jugemm, Colunj. II, 4, 8: campum, Ibid, S. 4: agrum, Pallad. Sept. 1 in, *