is toegevoegd aan je favorieten.

Natuurkundige verhandelingen van Petrus Camper over den orang outang [...]. Over den rhinoceros [...] en over het rendier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERHANDELING. 277

fyken, dat de Rhinocêros door hem afgetekend zeer mak, maar alleen dan kwaadaartig was, als hy honger hadde. Wy weeten dat de allerwildfte dieren , gelyk Leeuwen, Tygers, Beeren, gevangen zittende , langzaamer hand tam geworden zyn ; en men over zulks als nog twyffelen zou konnen aan de makheid van den Rhinocêros. Doch met dat alles moet het dier uit zynen aart niet dan getergd kwaadaartig zyn, om dat men nergens vindt dat hy van zig zeiven de menfchen aanrandt. Sparrmann toont zelfs met veele voorbeelden, dat het gedrogt zulks meer uit vrees dan boosheid doet; want naulyks is hy op eenig mensch aangevallen, of vlugt ylings daar naa zonder dien te vervolgen.

Zeer zonderling is de eigenfchap, welke Gordon opgeeft, dat de Rhinocêros, aan welken de Natuur zulke groote horens, en zoo veel krachts gegeeven heeft, om daar mede alles om verre te werpen, evenveel kwaads met de pooten als met de horens doet.

§. 14. Linnaeus haalt op het gezag van Bontius, de belaggelyke eigenfchap aan, quod lambendo trucidet, dat hy een mensch door likken dooden zoude, naamelyk door met zyne fcherpe en ruuwe tong het vleesch van het gebeente aftehaalen. Het dier is zoo ongefchikt om den muil tot een gevegt, of de tong tot likken te konnen gebruiken,dat my niets ongerymders voorkomt: te meer, om dat ik zeer wel meene te weeten, dat de tong, zagt, breed, dun, en niet haakerig is. Sparrmann bevestigt van gelyken de zagtheid der tong, en fpreekt het verdichtzel tegen, quod lambendo trucidat, dat hy met de tong eenig dier of mensch dood likken zoude.

§. 15. Offchoon myn beftek ten opzigte van den kop des Tweehoornigen Rhinocêros voleind is, kan ik naulyks voorby iets te zeggen omtrent de uiterlyke gedaante van dit Dier, als zeer verfchillende van den Afmtijchen of Eénhoornigen, te meer, dewyl wy thans door de waarneemingen van de Heeren Sparrmann, en Gordon verlicht, de overblyfzels van 't ene de Ouden ons naage-

Z laa-