Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

In eene zo uitgebreide weetenfchap als die, welke alle de leevende en groeijende Schepfelen onder derzelver bevang heeft, en die de Natuur van elk derzelve op het naauwkeuriglte tragt te onderzoeken, kan niets nuttiger zijn dan eene geregelde orde; immers door eerst het geheel te overzen en vervolgends het zelve in deelen te fplitfen, en deze weder in onderdeden te verdeelen, verfcliaft men zig een middel om elk deel afzonderlijk, tot in zijn geringde kleinigheeden , na te gaan, en tevens het groot geheel niet uit het oog te verliezen ; maar door de naauwkeurige kennisneeïning van al deszelfs deelen zo veel te grondiger te leeren kennen. Deze orde en fchifting is ondertiislchen zo zeer geen werk der Natuur; die gaat eigentlijk in heure voortbrengl'elen niet na zulke bekrompene wetten te werk; van daar ook de veeie fpeelingen, de veele uitzonderingen welke niet onder de regelen der orde betrokken kunnen worden; geen wondert de menfehelijke ziel vormt die regelen; zij komen voort uit de bepaaldheid van heure bevatting, welke niet gefchikt is om veele dingen tevens niet opmerking te begrijpen en zig daar door genoodzaakt ziet om elk groot ge. heel in bijzondere kleinere deelen te fchiften, ten einde 'er zig een goed begrip van te vormen ; even als de kottzichtigen welken geen groot tafreel op een' afftand geheel kunnende overzien,het zelve bij gedeelten van na bij, echter naauwkeurig, waarneemen en dan vervolgends die deelen in hun verbeelding bijeenvoegen, als wanneer het geheele tafreel zig door fatnen-

zetting in hunne ziel prent. ;— Eindeloos zouden

ondertusfehen deze fclüftingen zijn; ingevalle men die te verre uitftrékkèn, die te zeer in kleinigheeden wilde doen uitloopen ; want in de daad waar de mensch met fchiften ophoudt, daar begint, zelfs in het kleinfte wezentjen, weder eene geheele nieuwe waereld van 1'ameuzettingen in de Natuur; waar toe nog oneindig meer veideelingcn vereischt zouden worden, dan allen die hij eerst over alle de hem bekende Wezens, te ïamen, gemaakt liadde. Oneindig is de Schepping in het

groote ; oneindig in het kleine. Onbegrenst aan

alle zijden van daar de onbedenkelijk groote Wac-

reldbollen ons fterkst gewapend gezicht ontvlieden , tot daar het teder menfchelijk oog veel te grot en bot is om het Scheppings- rijk gewaar te woiden, 't welk zig in de enïte van een zandkorn onthoudt. Wanneer wij dus van Orde en Schifting in de Natuur fprceIten, bedoelen wij flegts die grove, altijd 2eer gebrek» keiijke en onvolkomen verdeeling welke het naauw beperkt menfchelijk vexftand van de nan het zelve voorkomende en onder deszelis bereik vallende, leevende en groeijende Schepfelen maakt; van daar tiotmea de geleerden al het gene zij daarover waargenomen en hier en eldeis ontleend hebben, Historie en wel Natuurlijk!

Historie, welk woörd, in deszelfs otrfprong, enkel een kennis, eene kundigheid beduidt, en daarom ook meer bijzonderlijk op de kennis der gebeurtenisfen en daaden der menfehen toegepast wordt, welke wij meer algemeen den naam van Historie hooien geeven; fchoon deze naam ook even zeer op allerleie kundigheeden lluite; Men kan derhalven zo wel eene Historie van den Vijgenboom, van den Elephant, van het Ijzerertz.,als \at\Alexander of Cafar vervaardigen ; in dien zin naamlijk als waarin hier het woord Natuurlijke Historie voorkomt; te weetcn, als bedoelende eene verzameling van kundigbeeden welke men zig, omtrent de genoemde zaaken, vormt.

De natuurlijke historie dan als eene weetenfchap aangemeikt wordende, heeft derzelver regelen, of omlerfcbeidingen en verdeelingen, door middel van welken zij gemakkelijkst Onderweezen, en in 't geheugen geprent wordt;volgends den waaren regel: qui bene dis. tinguit, bene dtcet. Edoch de beste en uitvoerigfte fchiC tingen zijn wij meestal aan de laatere Schrijvers over deze weetenfchap_ verpligt. De ouden waren niet gewoon naauwkeurige verdeelingen te maaken ; immers noch aristoteles, noch zijne opvolgers, hebben de Natuur zo naauwkeurig gefchift als de groote linNjEUs de Dieren en Planten en walierius de Mineratien. — Volgends deze Beroemde mannen,laat zich het geheele grondgebied der leevende en groeijende Natuur in vier rijken verdeelen; te weeten:

Het RIJK DER DIERE N.het R IJK DER PLANT li N, liet RIJK DER MINERAALENenherP.il K

DER M1NERAALVOCTE N. Welk laaide

egter door hunne voorgangers niet afzonderlijk geteld maar onder dat der Mineraalen begrecpen geweest is.

Het Ifte R IJ K vervat die Wezens welke met zintuigen voorzien zijn, en door middel van een vogt, dooraders en buizen, gevoed worden, en zig zelven kunnen verplaatfen, welke befebreeven worden in de DIERKUNDE (Zoölogia') dus genoemd van het griekfche woord zoon 't welk een dier en logos dat kennis, betekent.

Dit vak der Natuurlijke Historie, dat wel bepaaldelijk heur eigen vak genoemd kan worden, vervat ;

A. ~) De viervoetige Dieren.

B. ) De Vogelen.

C. ) De Halfflsgtige of Dubbeüeevende Dieren.

3 D.) De

Sluiten