Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*4* HET L A N Ij,

Nut die éinfamkeit ümfchattet Sanft mit kühlung meinen geist j Wen er dürftend und ermattet* Sich geliebter fclbst entreizt, Du nür ftille kanst mir geben, D« niir kein vercrauter giebt, Selbstgefühl und neües leben, Und gefühl das Gott mir Hebt.

Maar ter zaake. Daar zit Emilia in haaf

klem vrolijk boekvertrekje, èfl ik in mijne nice minder bevallige flaapkamer , die haar üitzigC heeft op den tuin; én een daar agter liggend boschjc; hier zit ik u thans mijn wedervaren te Verhalen; terwijl, rondom mij, dé nagtegalen verrukkend zingen. Ik heb voorfpoedig en vrolijk gefelst ; ik vond Emilia in het beftemdé Dorpje; zij vloog in mijne armen, met een gelaat, waar in zig levendige blijdfthap en zagte tederheid vereenigden. Ik, evenontroerd als zij, drukte haar fprakeloos aan mijn hart, en onzer' beider vogtige oogen getuigden van de levendigheid onzer vriendfchappelijke aandoeningen.

Wij reden vergenoegd voort. Onderweeg' wierd het bedwelmend gevoel van ons wederzijds geluk , zagte en mededeelbare vreugde* Zij leide mij in hare lieve woning; en ik verbeeld*

Sluiten