Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVEN- EN- DERTIGSTE BRIEF, zif

iets treffends, iets dat een fchoon gebouwd lus| flot dikwils niet heeft. Agter het huis lag een groote boomgaard, waarin de kalven huppelden; ter tijde een weide, waar zwaar geüierde koeien graasden ; agter dezelve eeri hooiveld ; aan den anderen kant een onafzienbaar vak van korenvelden. Alles ademde hier vhjt en zindelijkheid; de gefchuurde melkemmers met glinsterend koper beleid, lagen gereed tegen den melktijd. Een jonge meid kernde met handige Vaardigheid de boter van de melk; eene andere kneedde het roggemeel in eenzüivrcn trog. De gelukkige landvrouw, wier levendige verw gezondheid , en wier minzaame oogen en wezenstrekken , een goed karakter teekenden, vernatri faaauwliifcs onze komst, of ftraks kwam zij mee het gul gelaat van eene gastvrije weldóehfler naar ons toe; zij had een lieven molligen jongen op hare armen; en een aartig meisje, dat wat ouder waj, aan hare hand, dat met haar lieve roode Wangen en vleiende oogen haar moeder levendig afbeeldde; —■ zij nodigde ons ih hare woning doch wij Verkozen onder den notenboom, int 9t gezigt van haar geheele erf, met haar te zit. ten. Terwijl wij met haar fpraken ën hare kindertjes kuschten, kwam er nog een küaapje voor den dag, dat uit vrees voor ons zig agter zij « ne moeder verborgen had; het hield haren rok Vast, en loerde ter fluik naar ons toe, tot dat wij zijne fluurschheid door eenige medegebragte kleinigheden, verzagtten: De goede vróuw brood £ a bril

Sluiten